Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-11
ECLI:NL:RBAMS:2025:3941
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
3,946 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-182095-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 11 juni 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 2 april 2025 en 12 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2024 door Gdańsk Regional Court, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M.H.M. den Dekker, advocaat in ‘s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van de District Court in Gdańsk van 24 februari 2024.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Inleiding
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, derde lid, OLW. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad en dat zijn leven zich in Nederland afspeelt. Zij heeft daartoe tijdens de voorgeleiding van de opgeëiste persoon enkele stukken overlegd. Op de ochtend van de inhoudelijke zitting heeft zij deze stukken nogmaals naar de rechtbank verstuurd en daarnaast enkele nieuwe stukken overlegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de door de raadsvrouw aangeleverde stukken buiten beschouwing gelaten moeten worden, gelet op het veel te late tijdstip van indienen daarvan. Het subsidiaire standpunt van de officier van justitie luidt dat de opgeëiste persoon op basis van de aangeleverde stukken niet voor gelijkstelling in aanmerking komt.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6, derde lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam wordt een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk geacht. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling ná de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. De rechtbank zal de op 28 mei 2025 overgelegde stukken daarom buiten beschouwing laten. De stukken zijn pas één dag voor de zitting aangeleverd, zonder index en/of duidelijke uitleg hoe hieruit rechtmatig verblijf kan worden afgeleid. Dit maakt niet alleen dat het lastig is voor zowel de rechtbank als de officier van justitie om van die stukken nog gedegen kennis te nemen, het maakt ook dat het eventuele honoreren van het verweer met zich zou brengen dat de behandeling aangehouden moet worden voor het opvragen van een IND-advies. Een dergelijke aanhouding gaat ten koste van kostbare zittingscapaciteit en levert dikwijls problemen op met de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de aangeleverde stukken op het eerste gezicht zonder een nadere onderbouwing niet tot gelijkstelling kunnen leiden, nu niet over een ononderbroken periode van minimaal vijf jaren objectieve financiële gegevens (zoals belastingaanslagen , jaaropgaven, loonstroken) zijn overgelegd.
6Artikel 11 OLW
6.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6.2
Detentieomstandigheden
Inleiding
Voor het onderzoek naar de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na eventuele overlevering aan Polen is van belang dat zijn overlevering in deze zaak (EAB II) wordt gevraagd om hem te vervolgen én in de zaak met parketnummer 13/092730-25 (EAB I) om hem een vrijheidsstraf te laten ondergaan. De rechtbank heeft immers voor voorlopig gedetineerden in Polen (remand regime) een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten aangenomen, terwijl dit niet het geval is voor veroordeelde gedetineerden die in Polen een vrijheidsstraf ondergaan. Daarom is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd of, indien de overlevering van de opgeëiste persoon voor beide EAB’s wordt toegestaan, het regime voor voorlopig gedetineerden (remand regime) gaat gelden.
Uit de aanvullende informatie van 7 mei 2025 van de Poolse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in het remand regime zal worden geplaatst.
In uitspraken van 5 juni 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
Dictum
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om deze zaak gelijktijdig af te kunnen doen met de zaak met parketnummer 13/092730-25 (EAB I).
VERLENGT de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met dertig dagen onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak vóór 7 juli 2025 (de beslistermijn in EAB I verstrijkt op 21 juli 2025) op zitting wordt aangebracht tegelijkertijd met de zaak met parketnummer 13/092730-25 (EAB I).
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadvrouw en oproeping van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, rechter,
mrs. M. Westerman en M.W. Speksnijder, rechters en
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Zie onder andere rechtbank Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560 (onder 5).
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie onder meer: Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Feiten
Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen, een bijkomende verzwarende omstandigheid.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW dan wel de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren, omdat op basis van het antwoord van 14 mei 2025 van de Poolse autoriteiten het algemene gevaar in het remand regime niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie van
14 mei 2025 afdoende is om het algemeen gevaar weg te nemen.
Oordeel van de rechtbank
In de aanvullende informatie van 14 mei 2025 van de Poolse autoriteiten staat het volgende vermeld:
“ [opgeëiste persoon] will most likely be detained after transfer at the Detention Centre in Gdańsk.
[opgeëiste persoon] will not be in a multi-bed cell, as in this case his detention in the Detention Centre in Gdańsk is a preventive measure and not a punishment.
He will be entitled to 2 visits with his family of 60 minutes each and additional visits with his children, he is entitled to classes with a psychologist and visits to doctors at the hospital in the Detention Centre in Gdansk, sports activities, gym, walks, shopping in the shop, phone calls to his family and lawyer. Much depends on the number of hearings at the Prosecutor's Office and the Court.
[opgeëiste persoon] is allowed to spend at least 2 hours a day outside his cell.”
Tevens bevindt zich in het dossier een brief van 22 januari 2025 van de Deputy Director of the Department of Enforcement and Probation, waarin onder meer het volgende staat vermeld:
(…) The Prison Service monitors the population of penitentiary units on an ongoing basis and takes organizational measures to ensure that each prisoner is provided with the current statutory housing standard set at a minimum of 3 m2. (…)
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garanties. De rechtbank is, gelet op deze toezeggingen van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in het remand regime waar hij na overlevering zal worden geplaatst, geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Uit de aanvullende informatie van 14 mei 2025 in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 22 januari 2025 volgt dat de opgeëiste persoon een cel van minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte heeft (exclusief sanitair), waarbij is aangegeven dat hij tenminste twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regime in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie ten aanzien van de opgeëiste persoon weggenomen.
Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.
7Heropening van het onderzoek ter zitting
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met parketnummer 13/092730-25 (EAB I) die bij tussenuitspraak van heden zal worden aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met de toetsing aan artikel 12 OLW. Die zaak betreft een executie-EAB. De rechtbank wil beide zaken gelijktijdig afdoen en zal daarom deze zaak ook voor onbepaalde tijd aanhouden. Een feitelijke overlevering in deze zaak zou in de weg staan aan een inhoudelijke afdoening van het executie-EAB.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 90 dagen van EAB I verstrijkt op 22 juni 2025 en de 90 dagen termijn van onderhavig EAB verstrijkt op 30 juni 2025. Naar het oordeel van de rechtbank in deze specifieke situatie sprake van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Om die reden zal de rechtbank de beslistermijn verlengen met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenneming met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.