Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:3843
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,597 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-094983-25
Datum uitspraak: 5 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 2 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2022 door the Regional Court in Szczecin (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt a final and binding cumulative judgement of the District Court in Myślibórz (Sąd Rejonowy w Myśliborzu) of the 20th September 2020, reference symbol of files II K 689/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en negen maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de verdediging en van de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, nu de opgeëiste persoon ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis van the District Court in Myślibórz van 20 september 2020 zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen.
Beoordeling
Op basis van de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 14 mei 2025 stelt de rechtbank het volgende vast. De beslissing van the District Court in Myślibórz van 20 september 2020, II K 689/19 betreft een zogeheten verzamelvonnis, waarbij drie eerdere vonnissen zijn samengevoegd. Het gaat om de vonnissen van the District Court in Myślibórz van 27 juni 2018 (II K 17/18), van 27 november 2018 (II K 549/18) en van 17 december 2018 (II K 240/18).
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de stukken blijkt dat het verzamelvonnis van 20 september 2020 ex officio is gewezen. De rechtbank kan niet vaststellen dat de opgeëiste persoon op enige wijze op de hoogte is geraakt van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Ook is er geen zogeheten adresinstructie aan de opgeëiste persoon verstrekt die ziet op de verzamelvonnisprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgeëiste persoon dan ook niet in de gelegenheid gesteld om zijn verdedigingsrechten in de verzamelvonnisprocedure uit te oefenen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan toetsing van de onderliggende vonnissen en zal de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.
Nu de rechtbank reeds op grond van artikel 12 OLW de overlevering weigert, komt zij evenmin toe aan bespreking van de overige weigeringsgronden en de overige verweren van de raadsman.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin (Polen).
HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] .
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mr. I. Verstraeten en mr. E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.