Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-06-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:3761
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,461 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-070874-25
Datum uitspraak: 4 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 januari 2025 door Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste- woon of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB is op 1 mei 2025 aangevangen. Het onderzoek ter terechtzitting is voor bepaalde tijd aangehouden teneinde nadere informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit te verkrijgen over een mogelijke hoger beroepsprocedure, alsmede over het verloop daarvan en de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon tijdens die procedure.
Op de zitting van 1 mei 2025 heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting op 1 mei 2025 de gevangenhouding bevolen.
De behandeling van het EAB,is vervolgens voortgezet - met toestemming van de raadsman in gewijzigde samenstelling - op de zitting van 21 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court for Warszawa-Żoliborz in Warsaw van 28 november 2023, met referentie: IV K 585/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, zeven maanden en acht dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid: voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnota aangevoerd dat geen sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, OLW. Uit het EAB blijkt niet of de straf nog te executeren is. Onder F van het EAB behoort een expiratiedatum te worden weergegeven, wat niet het geval is. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en dat de overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit heeft onder B van het EAB vermeldt dat sprake is van een uitvoerbaar vonnis (enforceable judgement). Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Het enkele feit dat onder F van het EAB geen verjaringsdatum staat vermeld, maakt dit niet anders. Overigens staat onder F wel vermeld dat de termijn voor tenuitvoerlegging van de straf nog niet verjaard is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
3.2
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zijn geschonden. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon in beroep is gegaan tegen het vonnis van 28 november 2023 en dat daarop bij arrest van 5 maart 2024 is beslist door de Regional Court in Warschau, waarbij het beroep “inadmissable” is verklaard. Hiertegen heeft de advocaat een klacht ingediend, die niet gehonoreerd is. Vaststaat dat de opgeëiste persoon niet op de zitting van de regionale rechtbank in Warschau van 5 maart 2024 aanwezig is geweest. Ook blijkt niet of de raadsman van de opgeëiste persoon aanwezig is geweest. De rechten van de verdediging zijn derhalve geschonden. Dit blijkt ook uit het feit dat de raadsman in Polen een klacht heeft ingediend. De reden van deze klacht is mogelijk dat de opgeëiste persoon en advocaat niet voor de behandeling van de zitting van 5 maart 2024 zijn opgeroepen. Voor wat betreft de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 28 november 2023, wijst de raadsman erop dat in het EAB is aangekruist dat opgeëiste persoon aanwezig was op de uitspraak: dat zegt niets over de inhoudelijke behandeling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet zijn geschonden en dat de overlevering kan worden toegestaan. Het is vaste rechtspraak dat alleen de laatste zitting waarop over de schuld en straf is beslist hoeft te worden getoetst aan artikel 12 OLW. In het onderhavige geval is dat de zitting in eerste aanleg die heeft geleid tot het vonnis van 28 november 2023. In het EAB is onder D aangekruist “Yes, the person concerned was present at the trial, when the judgement was issued.” Deze Engelse vertaling lijkt te suggereren de opgeëiste persoon alleen bij de uitspraak aanwezig was, maar uit de originele tekst van het Poolse EAB (zoals door de tolk op zitting vertaald) blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting die heeft geleid tot het vonnis. Dit blijkt ook uit wat opgeëiste persoon zelf verklaart én de aanvullende informatie.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er in de betreffende procedure in hoger beroep geen sprake is geweest van een beoordeling van schuld of straf en dat dit hoger beroep dus niet relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW. De rechtbank verwijst daarbij ook naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas). In de aanvullende informatie is uitgelegd dat het hoger beroep “inadmissable” werd geacht, omdat in eerste instantie een voorstel van de opgeëiste persoon om zich vrijwillig te onderwerpen aan een straf werd aanvaard door de rechtbank, waarna deze straf werd vastgelegd in het vonnis van 28 november 2023. Tegen een dergelijk vonnis is hoger beroep klaarblijkelijk niet mogelijk.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Westerman en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG613121588507/È
G613121588507
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:EU:C:2017:628
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).