Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:3567
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,029 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/085492-25
Datum uitspraak: 28 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 januari 2025 door de Sąd Okręgowy w Gdańsku/ District Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 mei 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. K. Zech, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een:
I. sentence of the District Court in Gdańsk imposed on 16 December 2021 (XIV K 21/21) (upheld as valid by the sentence of the Court of Appeal in Gdańsk dated 5 July 2024 in the case
no. II K Aka 105/22) (hierna: arrest);
II. sentence of the Regional Court in Kwidzyn imposed on 14 March 2024 (II K 937/23) (hierna: vonnis).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar (II K Aka 105/22) en één jaar en drie maanden (II K 937/23), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteren volgens het EAB nog drie jaar, elf maanden en drie dagen (II K Aka 105/22) en één jaar, twee maanden en 28 dagen (II K 937/23). Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest en vonnis.
Dit arrest en vonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot het arrest aangevoerd dat de reststraf zoals genoemd in het EAB niet klopt. De opgeëiste persoon heeft namelijk al één jaar en twee maanden in voorarrest gezeten. Als hier geen duidelijkheid over is, kan de opgeëiste persoon niet worden overgeleverd, mocht de rechtbank hiertoe beslissen.
De rechtbank overweegt als volgt. In het EAB is onder rubriek C.2 melding gemaakt van de opgelegde straf en het deel van de straf dat de opgeëiste persoon na overlevering nog moet uitzitten. De duur van de opgelegde vrijheidsstraf is doorslaggevend, zo volgt uit artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit). Er is sprake van een opgelegde vrijheidsstraf van een langere duur dan de vier maanden die vereist zijn voor een executieoverlevering en niet gebleken is dat de opgeëiste persoon de opgelegde straf al geheel heeft uitgezeten. Hiermee is dus voldaan aan artikel 2, eerste lid, en artikel 7, eerste lid sub a onder 2˚, OLW. De opgeëiste persoon kan zijn standpunt omtrent de duur van de nog uit te zitten gevangenisstraf desgewenst in Polen aan de orde stellen. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw en ziet zij geen aanleiding om het onderzoek aan te houden teneinde hierover nadere vragen te stellen.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering voor beide procedures moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. In de eerste zaak had de opgeëiste persoon alleen een advocaat in eerste aanleg, die hij daarna heeft ontslagen. Deze advocaat was dus niet gemachtigd voor het hoger beroepsproces. Daarnaast ontkent de opgeëiste persoon een adres te hebben opgegeven en was hij dus ook niet op de hoogte van de adresinstructie in hoger beroep. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet toegelicht op welke wijze het voor de opgeëiste persoon duidelijk was dat de adresinstructie voor de gehele procedure, inclusief het hoger beroep, gold. Ook in de tweede zaak is niet vast te stellen of en zo ja op welke wijze de adresinstructie aan de opgeëiste persoon is medegedeeld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot beide veroordelingen kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond.
De rechtbank overweegt als volgt.
Arrest met nummer II K Aka 105/22
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 28 april 2025 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden en dat the Court of Appeal in Gdańsk de laatste instantie is die de zaak ten gronde heeft behandeld en dat hiertegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 28 april 2025 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en van de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon was aanwezig bij het proces in eerste aanleg en heeft gedetineerd gezeten tot een dag voor de zitting in hoger beroep. Bij zijn vrijlating is hij geïnformeerd over de verplichting om adreswijzigingen door te geven en is hij erop gewezen wat de gevolgen zijn indien hij dit niet doet, waaronder de mogelijkheid dat er een beslissing in zijn afwezigheid kan worden genomen. De opgeëiste persoon heeft toen ook een adres opgegeven en de oproeping voor de zitting in hoger beroep is naar dit adres gestuurd. De opgeëiste persoon heeft persoonlijk getekend voor ontvangst van deze oproep.
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat officiële correspondentie omtrent de procedure in hoger beroep is verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en dat de opgeëiste persoon deze correspondentie in ontvangst heeft genomen. Kennelijk heeft hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.
Feiten
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd;
mishandeling;
diefstal, meermalen gepleegd.
5Gelijkstelling
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon aantoonbare en voldoende binding heeft met Nederland. Hij woont nu ongeveer een jaar in Nederland, heeft hier werk, een Nederlands inkomen genoten en hij
heeft een verloofde in Nederland die hier woont en werkt.
De rechtbank, is met de officier van justitie, van oordeel dat een gelijkstelling niet aan de orde is, omdat niet aan de voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf is voldaan. De weigeringsgrond van artikel 6a OLW is daarom niet van toepassing.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 300, 310 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Gdańsku/ District Court in Gdańsk (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).