Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:3530
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,572 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3024
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigden: mr. Y. Spijker en mr. B. Blankenburg),
en
de burgemeester van de gemeente Amsterdam, de burgemeester
(gemachtigden: mr. M. Kappelhof, mr. H. Hasnai).
Inleiding
1.1.
De burgemeester heeft op 16 mei 2025 met toepassing van spoedeisende bestuursdwang de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning) gesloten met ingang van diezelfde dag.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester, bijgestaan door een collega, [de persoon] .
Beoordeling
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoekster is huurder van de woning. Zij staat ingeschreven op dit adres met haar twee meerderjarige dochters (21 en 19 jaar) en haar minderjarige zoon (tien jaar). In de periode van 17 januari 2025 tot en met 13 mei 2025 hebben vijf explosies plaatsgevonden in de straat van de woning, waarvan vier voor de woning zelf.
3. De burgemeester is (kort gezegd) bevoegd om een woning te sluiten als er door ernstig geweld een ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde rond de woning. Met het oog op het huisrecht (artikel 8 van het EVRM) gaat de burgemeester over tot sluiting van een bewoonde woning wanneer er sprake is van een hoog risico op herhaling met een grote impact voor de omgeving.
4. De burgemeester heeft de woningsluiting gebaseerd op twee bestuurlijke rapportages waarin de volgende informatie van de politie is opgenomen:
Op [datum 1] 2025 heeft er een explosie plaatsgevonden op [adres 2] in Amsterdam. De bewoners meldde in de middag om 16:01 uur dat er eerder op de ochtend tussen 06:00 en 09:00 uur een explosie had plaatsgevonden. Door de explosie is er schade ontstaan aan de voordeur, brievenbus en het raam naast de voordeur. De bewoners waren thuis ten tijde van de explosie, er is niemand gewond geraakt. De explosie was mogelijk bedoeld voor [adres 1] . Hier zijn echter geen aanwijzingen voor.
Op [datum 2] 2025 omstreeks 02:48 uur heeft er een explosie plaatsgevonden op De [adres 1] in Amsterdam. Door de explosie is de voordeur beschadigd en is het naastgelegen raam kapotgegaan. Ter plaatse zijn sporen aangetroffen waaruit geconcludeerd werd dat er gebruik is gemaakt van een vuurwerk-/brandstofcombinatie om te explosie te veroorzaken. De bewoners waren thuis ten tijde van de explosie, er is niemand gewond geraakt.
Op [datum 3] 2025 omstreeks 22.40 uur heeft er een explosie plaatsgevonden op de [adres 1] in Amsterdam. Ditmaal heeft de explosie in de voortuin van de woning plaatsgevonden.
Op [datum 4] 2025 omstreeks 07:30 uur kreeg de politie een melding van een explosie aan de [adres 1] in Amsterdam. Ter plaatse zag politiemedewerkers dat het deurbeslag van de voordeur vernield was. De bewoner verklaarde dat zij aan het slapen was en niets had gezien. Tevens gaf zij aan dat zij ontzettend bang is omdat dit al de zoveelste keer was.
Op [datum 5] 2025 kwam er om 04.00 uur een melding bij de politie binnen dat er een explosie had plaatsgevonden op de [adres 1] in Amsterdam. Ter plaatse trof de politie meerdere sporen aan, aan de hand waarvan geconcludeerd werd dat er bij deze explosie gebruikt gemaakt is van een vuurwerk-/brandstofcombinatie. Door de explosie is de woning beschadigd geraakt, er zijn ruiten gesprongen, een fiets in de voortuin is vernield en er is wat roetschade. De bewoonster heeft aangifte gedaan en verklaard uit haar woning te willen vertrekken.
4.1.
Naar aanleiding van deze bevindingen en ter handhaving van de openbare orde heeft de burgemeester op grond van artikel 174a van de Gemeentewet de woning gesloten voor de duur van drie maanden.
4.2.
Met het besluit tot sluiting van de woning heeft de burgemeester voldoende duidelijk gemaakt dat er sprake is van een zeer ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid. De explosies vormen een gevaar voor de bewoners maar ook voor omwonenden. Uit de rapportages van de politie blijkt dat er een verdachte in beeld is en dat de explosies waarschijnlijk te maken hebben met een conflict in de relationele sfeer met betrekking tot de dochter van verzoekster. Het politieonderzoek loopt nog. De burgemeester heeft, voordat zij tot sluiting over is gegaan, minder ingrijpende middelen ingezet, zoals extra cameratoezicht, preventieve politie surveillance en een afspraak op locatie (aol). Ondanks deze maatregelen zijn de geweldsincidenten niet gestopt. De politie constateert dat de huidige inspanningen onvoldoende zijn om de veiligheid van het getroffen gezin structureel te waarborgen en acht aanvullende maatregelen noodzakelijk, gelet op de ernst van de situatie en de beperkte effectiviteit van de huidige aanpak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon de burgemeester op basis van voorgaande overwegen dat de sluiting noodzakelijk was om herhaling van verdere ernstige verstoring van de openbare orde rond de woning te voorkomen.
4.3.
De sluiting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenredig. Met de sluiting van de woning wil de burgemeester voorkomen dat er opnieuw geweld van buitenaf wordt toegepast op deze woning en daarmee het recht op leven van de bewoners zelf én de omstanders in het geding komt. De gevaarzetting is groot, de woning ligt in een drukke straat en in een complex met veel gezinnen met kinderen. Er hebben al vijf explosies plaatsgevonden. Uit buurtonderzoek blijkt dat er angst heerst onder de omwonenden. De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van de openbare orde zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van het gezin. De burgemeester heeft onderkend dat de sluiting verstrekkende gevolgen heeft voor het gezin, dat slachtoffer is van deze situatie. Van het ene op het andere moment kan het gezin de woning niet meer in en bovendien betekent een dergelijke sluiting dat de verhuurder van de woning, [verhuurder] , de bevoegdheid heeft om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester hier voldoende rekenschap aan gegeven. De burgemeester heeft meteen contact opgenomen met [verhuurder] . Hoewel niet duidelijk is of [verhuurder] van de bevoegdheid tot ontbinding gebruik zal gaan maken en/of dat zij bereid zijn om mee te werken aan een herhuisvesting, heeft de burgemeester in dit kader mogen betrekken dat tegen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtsbescherming bij de civiele rechter openstaat. Of de ontbinding van de huurovereenkomst proportioneel is, gelet op het feit dat het gezin geen verwijt valt te maken en het zeer lastig zal zijn andere woonruimte te vinden gelet op hun financiële situatie en de krapte op de woningmarkt, kan dit punt in een kort geding procedure aan de kantonrechter worden voorgelegd. Dit staat dan ook niet in de weg aan sluiting van de woning. Bovendien heeft de burgemeester meteen vervangende opvang aangeboden voor in ieder geval de duur van de sluiting, waardoor het gezin op dit moment niet dakloos is. De burgemeester voldoet hiermee aan haar verplichtingen om de negatieve gevolgen van de sluiting voor verzoekster en haar kinderen te beperken.
4.4.
Op de zitting is gebleken dat het verzoekster niet zozeer gaat om heropening en terugkeer naar de woning. Verzoekster en haar gezin voelen zich niet meer veilig in de woning en het liefst zou verzoekster zo snel mogelijk willen verhuizen naar eenzelfde passende woning. Zij is niet tevreden met de door de burgemeester aangeboden opvang gedurende de sluiting. Haar was via de GGD een vijf-kamerappartement met eigen voorzieningen beloofd, maar de aangeboden ruimte in de noodopvang [noodopvang] voldeed daar niet aan. Daarom heeft zij ervoor gekozen om tijdelijk bij een kennis te logeren met haar gezin. Op de zitting heeft verzoekster haar verzoek gewijzigd en verzoekt primair dat de burgemeester haar een geschikte opvang aanbiedt gedurende de sluiting, te weten een vijf-kamerappartement met eigen voorzieningen; dat zij haar spullen uit de gesloten woning mag halen en dat de voorziengingenrechter bepaald dat de burgemeester binnen één week beslist op het verkrijgen van een veiligheidsurgentie.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de burgemeester op de zitting heeft toegezegd een verzoek tot tijdelijk binnentreden om spullen uit de woning te kunnen halen, toe te zullen wijzen.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4008, r.o. 4.6.