Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:3518
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,503 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/381323-24 (zaak A) en 13/385686-24 (zaak B)
(ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 27 februari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.S. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Verstegen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingediend door benadeelde partijen [benadeelde partij] , [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] .
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
ten aanzien van zaak A
1. diefstal in vereniging van een portemonnee (met inhoud), toebehorende aan [benadeelde partij] , op 14 september 2024 in Amsterdam.
2. diefstal door middel van een valse sleutel van meerdere geldbedragen van 49,96 dollar, 88,82 dollar, 58,29 dollar en 30 euro, toebehorende aan [benadeelde partij] , op 14 september 2024 in Amsterdam.
3. diefstal door middel van braak en/of verbreking van een kassalade en een of meerdere telefoons, toebehorende aan [bedrijf 1] B.V, op 19 september 2024 in Amsterdam.
4. diefstal door middel van braak en/of verbreking van een kassa (met daarin 150 euro contant), een gouden ring, een zonnebril van het merk Gucci, een zonnebril van het merk Michael Kors, een Apple iPad en een envelop met daarin 1.070 euro, toebehorende aan [bedrijf 5] , in de periode van 22 september 2024 tot en met 23 september 2024 in Amsterdam.
5. poging tot diefstal door middel van braak en/of verbreking op 22 september 2024 in Amsterdam. Subsidiair ten laste gelegd als vernieling van een raam, toebehorende aan [bedrijf 2] , op 22 september 2024 in Amsterdam.
6. diefstal door middel van braak en/of verbreking van de inhoud van een kassalade (ongeveer 20 euro), toebehorende aan [bedrijf 3] , op 31 oktober 2024 in Amsterdam.
ten aanzien van zaak B
poging tot diefstal door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming op 31 oktober 2024 in Amsterdam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het in zaak A onder 1, 2, 3, 5 primair en 6 tenlastegelegde als het in zaak B tenlastegelegde kan worden bewezen. Van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte de kassa met daarin 150 euro heeft weggenomen. De officier van justitie heeft verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van de overige goederen die op de tenlastelegging staan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de in zaak A en B ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 tenlastegelegde en het in zaak B tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft de feiten bekend ter terechtzitting.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de portemonnee van aangeefster heeft weggenomen. Hij was in de winkel met een bekende die op zoek was naar schoenen. Volgens verdachte wist die persoon niet dat hij de portemonnee van aangeefster heeft weggenomen. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte samen met een ander de winkel in loopt. Vervolgens loopt verdachte naar de tas van aangeefster en neemt hij haar portemonnee weg. Op dat moment kijkt de andere persoon in de winkel om zich heen. De rechtbank stelt vast dat op de stills van de camerabeelden niet is te zien dat hij naar schoenen kijkt. Verdachte loopt vervolgens bij de tas van aangeefster vandaan en kijkt naar de andere persoon. Daarna lopen beiden samen de winkel uit en vertrekken zij in een auto waarna verdachte naar diverse winkels wordt gebracht. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven persoon is komen vast te staan. Daarmee acht de rechtbank de onder 1 tenlastegelegde diefstal in vereniging bewezen.
Ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde acht de rechtbank – anders dan de officier van justitie – bewezen dat verdachte alle goederen die in de tenlastelegging worden genoemd heeft weggenomen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij alleen de kassa met daarin contant geld heeft weggenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de aangifte en acht deze betrouwbaar. De rechtbank zal voor de bewezenverklaring dan ook uitgaan van de in de aangifte genoemde weggenomen goederen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van zaak A
feit 1
op 14 september 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een portemonnee (met inhoud), die aan [benadeelde partij] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2
op 14 september 2024 te Amsterdam, meerdere geldbedragen, te weten 49.96 dollar en 88.82 dollar en 58.29 dollar en 30 euro, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas op naam van [benadeelde partij] , door onbevoegd gebruik te maken van desbetreffende pinpas;
feit 3
op 19 september 2024 te Amsterdam, een kassalade en meerdere telefoons, die aan [bedrijf 1] B.V. toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
feit 4
in de periode van 22 september 2024 tot en met 23 september 2024 te Amsterdam, - een kassa (met daarin 150 euro contant) en- een gouden ring en- een zonnebril van het merk Gucci en- een zonnebril van het merk Michael Kors en- een Apple iPad en- een envelop met daarin 1.070 euro,die aan restaurant [bedrijf 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk omhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 5 primair
op 22 september 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed van zijn gading, die aan [bedrijf 2] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,- door (met kracht) een (bouw)steen tegen het raam van zojuist genoemde zaak aan heeft gegooid en- vervolgens een of meerdere malen tegen het raam aan heeft getrapt , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 6
op 31 oktober 2024 te Amsterdam, de inhoud van de kassalade (ongeveer 20 euro), dat aan [bedrijf 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van zaak B
op 31 oktober 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed van zijn gading, die aan winkelbedrijf [bedrijf 4] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming- via een steiger het bedrijfspand op is geklommen en- vervolgens een ruit heeft vernield en- vervolgens via deze ruit naar binnen is geklommen en- vervolgens door de winkel is gelopen en lades heeft doorzocht en zoekend rond heeft gekeken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 540 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 363 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daaraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van
25 februari 2025.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het reclasseringsadvies van 25 februari 2025 te volgen.
7.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie bedrijfsinbraken, twee pogingen tot een bedrijfsinbraak, diefstal in vereniging en diefstal door middel van een valse sleutel. In een kort tijdsbestek van anderhalve maand heeft hij deze feiten gepleegd. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendom. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten veel schade en overlast voor de slachtoffers en zorgen dergelijke inbraken voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn zucht naar geldelijk en materieel gewin om daarmee zijn verslaving te kunnen bekostigen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 februari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder en veelvuldig voor vermogensdelicten is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Inforsa van 25 februari 2025. Uit dit advies volgt – onder meer – dat sprake is van een delictpatroon in het plegen van vermogensdelicten, veelal onder invloed van alcohol en/of drugs. De beschermende factoren zijn dat verdachte beschikt over een zelfstandige huurwoning, een bewindvoerder heeft die zijn financiële zaken behartigt en een steunend sociaal netwerk. De risicofactoren zijn het problematisch middelengebruik en het ontbreken van een structurele zinvolle dagbesteding. Zowel klinische- als ambulante verslavingsbehandelingen hebben niet geleid tot blijvende abstinentie. Verdachte is gediagnosticeerd met de nierziekte Berger. Sinds hij afhankelijk is van nierdialyses streeft hij naar volledige abstinentie van middelengebruik. Hij stelt zich gemotiveerd op om te werken aan gedragsverandering. Sinds een jaar is hij vrijwillig onder behandeling bij het [naam verslavingskliniek] ( [naam verslavingskliniek] ). Desondanks is hij meer dan eens teruggevallen in middelengebruik en delictgedrag. Tijdens een slechtnieuwsgesprek in het ziekenhuis in december 2024 heeft hij te horen gekregen dat bij het voorzetten van zijn levensstijl, die gericht is op alcohol- en drugsgebruik, de verwachting is dat hij maximaal nog zes maanden in leven blijft. Enkel niertransplantatie kan levensverlengend werken en daarvoor moet verdachte eerst langere tijd abstinent zijn. De reclassering acht de inzet van zowel klinische- als ambulante verslavingsbehandeling geïndiceerd om blijvende abstinentie na te streven. Het bereiken van volledige abstinentie kan de overlevingskans van verdachte vergroten en het risico op recidive verlagen. Ondanks vele mislukte reclasseringstrajecten wil de reclassering door de vernieuwde motivatie van verdachte nog eenmaal inzetten op een reclasseringskader met behandelverplichting. Om de kans van slagen te vergroten is het wenselijk dat verdachte aansluitend op de detentie, klinisch wordt opgenomen voor verslavingsbehandeling. Dit zou medio mei 2025 gerealiseerd kunnen worden bij kliniek [naam kliniek] . De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en meewerken aan middelencontrole.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank houdt daarbij rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en ter zitting spijt betuigd aan één van de slachtoffers die aanwezig was. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de gezondheidssituatie van verdachte. Het bereiken van volledige abstinentie is noodzakelijk om zijn overlevingskans te vergroten en het recidiverisico te verlagen. De rechtbank acht daarom een klinische opname in kliniek [naam kliniek] van groot belang. De rechtbank zal een groot deel van de straf voorwaardelijk opleggen zodat verdachte aansluitend op detentie eind mei kan worden opgenomen in kliniek [naam kliniek] . Verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn voor de klinische en ambulante behandeling zoals door reclassering is geadviseerd.
Alles overwegende legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden als bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en het meewerken aan middelencontrole. De rechtbank acht een proeftijd van 3 jaren nodig om bij verdachte gedurende geruime tijd een stok achter de deur te houden.
8Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 553,18 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht om de vordering integraal toe te wijzen. De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over deze vordering.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in zaak A onder 1 en 2 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 553,18 (vijfhonderddrieënvijftig euro en achttien eurocent).
De vordering van benadeelde partij [bedrijf 1] B.V.
[persoon 1] vordert namens de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. € 7.511,75 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid ten aanzien van de aanschaf van de telefoons. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de benadeelde partij een besloten vennootschap is en dat rekening dient te worden gehouden met een mogelijke uitkering door de verzekeringsmaatschappij. Voorts heeft zij aangevoerd dat de btw kan worden verrekend.
De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht nu de vraag op het schadeformulier of de verzekering de schade (deels) heeft vergoed, niet is beantwoord.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A
feit 1
diefstal door twee of meer verenigde personen
feit 2
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
feit 3
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
feit 4
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
feit 5 primair.
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking
feit 6
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
ten aanzien van zaak B
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij de reclassering
De veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
2. Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
De veroordeelde laat zich behandelen door het Forensisch Ambulant Zorgteam van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra dat mogelijk is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnamen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
De veroordeelde werkt verder mee aan een klinische verslavingsbehandeling bij kliniek [naam kliniek] . De behandeling komt tot stand vanuit een aanmelding van het [naam verslavingskliniek] .
3. Meewerken aan middelencontrole
De veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs, om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 553,18 (vijfhonderddrieënvijftig euro en achttien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 14 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 553,18 (vijfhonderddrieënvijftig euro en achttien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 14 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 11 dagen.
Beoordeling
De slachtoffercoördinator heeft voorafgaand aan de zitting meermalen geprobeerd om contact te krijgen met de benadeelde partij. Dit is echter niet gelukt. Nu de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen, zijn deze vragen niet beantwoord. De rechtbank gaat er vanuit dat er een reële kans bestaat dat een bedrijf als het onderhavige verzekerd is voor het risico van diefstal en inbraak.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De rechtbank heeft dezelfde vragen als de verdediging ten aanzien van een eventuele vergoeding van de schade door de verzekering. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De vordering van benadeelde partij [bedrijf 2]
[persoon 2] , de eigenaar van het bedrijf [bedrijf 2] , vordert namens de benadeelde partij [bedrijf 2] € 250,00 aan vergoeding van materiële schade ter zake van het eigen risico, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht om de vordering integraal toe te wijzen. De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over deze vordering.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [bedrijf 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 5 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro).
De vordering van benadeelde partij [bedrijf 3]
[persoon 3] , vertegenwoordiger en eigenaresse van het bedrijf [bedrijf 3] , vordert namens de benadeelde partij [bedrijf 3] € 6.074,78 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de benadeelde partij een onderneming betreft en dat de btw kan worden verrekend. Verder heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 6 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit de stukken en uit navraag door de slachtoffercoördinator blijkt dat de schade niet is vergoed door de verzekeringsmaatschappij.
De benadeelde partij heeft de materiële schade voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de posten toewijzen exclusief btw, omdat de benadeelde partij als ondernemer de btw kan terugvorderen of verrekenen. De rechtbank begroot de schade aan het raam op € 2.403,40, die aan de koelvitrine op € 2.257,99 en de schade voor de reserveringen van de taarten op € 266,50. Daarnaast is de schade voor de reservering van de high tea € 124,00 en weggenomen contant geld € 20,00.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal van € 5.071,89, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De vordering zal voor het resterende deel worden afgewezen.
Nu de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
De vordering van benadeelde partij [bedrijf 4]
Benadeelde partij [bedrijf 4] vordert € 1.307,56 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid en rekening te houden met een mogelijke uitkering door de verzekeringsmaatschappij.
De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht nu de vraag op het schadeformulier of de verzekering de schade (deels) heeft vergoed, niet is beantwoord. De slachtoffercoördinator heeft voorafgaand aan de zitting nog meermalen geprobeerd om contact te krijgen met de benadeelde partij. Dit is echter niet gelukt. Nu de benadeelde partij niet ter terechtzitting is verschenen, zijn deze vragen niet beantwoord. De rechtbank gaat er vanuit dat er een reële kans bestaat dat een bedrijf als onderhavige verzekerd is voor het risico van diefstal en inbraak.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De rechtbank heeft dezelfde vragen als de verdediging ten aanzien van een eventuele vergoeding van de schade door de verzekering. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 60a en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [bedrijf 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] toe tot een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 22 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 2] aan de Staat € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 22 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [bedrijf 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] gedeeltelijk
toe tot een bedrag van € 5.071,89 (vijfduizend eenenzeventig euro en negenentachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 31 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 3] aan de Staat
€ 5.071,89 (vijfduizend eenenzeventig euro en negenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 31 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [bedrijf 1] B.V.
Verklaart [bedrijf 1] B.V. niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering benadeelde partij [bedrijf 4]
Verklaart [bedrijf 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.L.M. Meulman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2025.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]