Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:3516
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,350 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/176343-23
Datum uitspraak: 19 februari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. V.C.E. de Jong, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding die is ingediend door benadeelde partij [benadeelde partij] en ter terechtzitting is toegelicht door mr. K. Gögdas.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de verklaring die is afgelegd in het kader van het spreekrecht door mr. K. Gögdas namens benadeelde partij [benadeelde partij] .
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1
primair
hij op of omstreeks 15 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met (de steel van) een gebroken (wijn)glas, althans met glasscherven, in de buik van voornoemde [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten: een (steek/slash)wond in de buikwand, met perforaties van de in de buikholte gelegen dunne darm op één of meerdere plaatsen en/of het (daarna) uit de buikholte puilen van een deel van de dunne darm via de wond in de buikwand heeft toegebracht door met (de steel van) een gebroken (wijn)glas, althans met
glasscherven, in de buik van voornoemde [benadeelde partij] te steken en/of te snijden;
feit 2
primair
hij op of omstreeks 15 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een (snij/steek/slash)wond in de (linker)(onder)arm en/of -pols, waarbij één of meerdere strekpezen zijn doorgesneden heeft toegebracht door met (de steel van) een gebroken (wijn)glas, althans een of meerdere glasscherven, in de (linker)(onder)arm en/of -pols van voornoemde [benadeelde partij] te steken en/of te snijden;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 juli 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde partij] met (de steel van) een gebroken (wijn)glas, althans met glasscherven, in diens (linker)arm en/of –pols te steken heeft gestoken en/ofgesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3Waardering van het bewijs
3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de onder 2 primair tenlastegelegde zware mishandeling kunnen worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de hele tenlastelegging.
Verdachte heeft verklaard dat hij aangever een duw heeft gegeven omdat hij door hem werd geslagen. Verdachte was zich op dat moment niet bewust van het glas dat hij in zijn handen vasthad. De raadsvrouw heeft bepleit dat er daarom geen sprake is van opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) op de dood van aangever of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden. Hoewel aangever in een kwetsbaar lichaamsdeel is geraakt, kan niet worden vastgesteld met welk voorwerp en hoe diep hij is geraakt.
Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat het letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat een verklaring van een arts waarin staat dat het herstel minimaal zes maanden tot één jaar zal duren en dat er een grote kans is op functieverlies van de arm. Dat er daadwerkelijk sprake is van blijvend functieverlies blijkt alleen uit de verklaring van aangever en niet uit medische stukken.
3.3
Feiten
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 15 juli 2023 omstreeks 01:15 uur heeft er een incident plaatsgevonden in de woning van aangever [benadeelde partij] (hierna: aangever). Aangever was samen met zijn partner, verdachte, in de woning en ze kregen op enig moment ruzie. Aangever heeft als gevolg daarvan verwondingen opgelopen aan zijn buik en linkeronderarm. Verdachte heeft 112 gebeld en aangever is met de ambulance naar het Amsterdam Medisch Centrum (hierna: AMC) gebracht en is daar geopereerd. De politie nam kennis van het incident toen een verpleegkundige van de intensive care een melding maakte bij de politie dat een man met meerdere steekwonden het AMC was binnengebracht. Deze man (aangever) had verteld dat zijn partner hem heeft neergestoken.
Uit de medische verklaring van 19 juli 2023 blijkt dat er sprake was van een steekwond in de buik, waarbij de darmen buiten de buikholte lagen en er vijf gaten in de dunne darm zaten. Daarnaast was er een steekwond in de linkerarm waarbij vier strekpezen zijn doorgesneden. De geschatte duur van het herstel is minimaal zes maanden tot één jaar. Ook is er een grote kans op functieverlies van de linkerarm.
De forensisch arts heeft de verwondingen van de aangever in het rapport van 28 december 2023 als volgt beoordeeld.
Het letsel aan de buikwand wordt als een steek- of slashwond gekwalificeerd, veroorzaakt door een scherprandig en puntig object. Volgens de deskundige is er een relatief grote kracht nodig om zo’n wond te veroorzaken. Het letsel heeft geleid tot perforaties van de dunne darm op vier plaatsen. Dit type letsel is waarschijnlijk ontstaan door een snelle, krachtige impact. Volgens de deskundige is de kans op ernstiger perforerend letsel groter bij een snelle impact, zoals een steekbeweging, rennen of vallen op een scherp voorwerp, dan bij een langzamere impact, zoals duwen tegen een lichaam.
Het letsel aan de linkeronderarm wordt gezien als een pareer- of afweerletsel, veroorzaakt door het omhoog brengen van de arm ter bescherming tegen een dreigende, scherprandige/-puntige geweldsinwerking zoals steken, snijden en/of 'slashen.
De verwondingen aan/in de buik en aan de linkeronderarm zijn ernstig, het buikletsel (acuut) levensbedreigend, de verwondingen maakten acuut chirurgisch ingrijpen nodig en kunnen ook in de toekomst leiden tot meer of minder ernstige complicaties (vooral wat betreft het buikletsel) en/of beperkingen (vooral wat betreft het letsel aan de linkerarm).Het letsel aan de linkeronderarm kan leiden tot blijvende beperkingen.
3.3.2
Verrichte geweldshandelingen
De rechtbank dient eerst vast te stellen of verdachte geweldshandelingen tegen aangever heeft verricht en zo ja, waaruit die handelingen bestonden.
Vaststaat dat op 15 juli 2023 een ruzie is ontstaan tussen verdachte en aangever. Over de aanleiding van de ruzie verklaren beide hetzelfde. Zij waren bij aangever thuis en hadden een gesprek over een vriend van aangever die in de woning zou gaan verblijven. Dit mondde uit in een ruzie tussen verdachte en aangever. Beiden verklaren dat aangever als eerste aan verdachte een klap op zijn achterhoofd heeft gegeven.
Over wat er daarna is gebeurd lopen de verklaringen uiteen. Aangever heeft verklaard dat verdachte na de klap opstond, het wijnglas pakte en dat op de tafel kapot sloeg. Aangever stond achter de bank en verdachte rende om de bank heen naar aangever toe en viel hem aan. Vervolgens heeft verdachte hem met het gebroken wijnglas in zijn buik gestoken. Aangever voelde direct een felle pijn in zijn buik en zag dat zijn darmen eruit hingen. Ook had aangever letsel aan zijn linkerarm.
Verdachte heeft verklaard dat hij het wijnglas, dat op de tafel stond, had omgestoten toen hij zich omdraaide. Hij was de glasscherven aan het oprapen en voelde toen een klap op zijn achterhoofd bij zijn rechteroor. Vervolgens is verdachte opgestaan en heeft hij aangever geduwd terwijl hij zich niet bewust was van de afgebroken steel van het wijnglas die hij nog in zijn hand had. Het duwen vond plaats terwijl aangever achter de rugleuning van de bank stond en verdachte voor het zitgedeelte.
Om meerdere redenen acht de rechtbank de door verdachte aangedragen feitelijke toedracht niet aannemelijk. In de eerste plaats wordt de verklaring van verdachte niet ondersteund door in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, terwijl de door aangever omschreven toedracht wel steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zo wordt de verklaring van aangever ondersteund door het forensisch geneeskundig onderzoek.
Ook past het bij aangever geconstateerde letsel aan de linkerarm – aangemerkt als afweerletsel –meer bij de lezing van aangever dan bij de lezing van verdachte, nu aangever heeft verklaard dat hij vermoed dat het letsel is ontstaan omdat hij verdachte probeerde tegen te houden. Verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe het letsel is ontstaan. Volgens de forensisch arts kan dit afweerletsel zijn opgelopen door het voor het lichaam brengen van de onderarmen ter bescherming tegen een dreigende, scherprandig/-puntige geweldsinwerking zoals steken, snijden en/of slashen. Gelet op het letsel – meerdere doorgesneden strekpezen – is het aannemelijk dat dit met enige kracht is gegaan. De rechtbank stelt vast dat dit beter past bij het scenario van aangever – dat hij verdachte probeerde tegen te houden toen hij werd aangevallen en dat verdachte hem vervolgens heeft geraakt in zijn linkerarm – dan bij het scenario van verdachte.
Het bij aangever geconstateerde letsel bij de buik – perforaties van de in buikholte gelegen dunne darm op vier plaatsen en buiten de buikholte gelegen darmen – wordt door de forensisch arts aangemerkt als een steek- of slashwond. Hiervoor is volgens de deskundige een relatief grote kracht nodig die inwerkt op het lichaamsoppervlak via scherppuntige delen of scherpe randen van een gebroken wijnglas. Uit het forensisch geneeskundig onderzoek blijkt dat de kans op het ontstaan van het uit- en inwendige buikletsel waarschijnlijker is bij een hypothese door een steek- dan wel een slaande (slash-) beweging dan onder een hypothese ontstaan door een snijdende beweging. Voorts heeft de forensisch arts beschreven dat het iets waarschijnlijker is dat het letsel is ontstaan doordat verdachte met een kapot wijnglas op aangever is afgerend en hem daarmee in zijn buik heeft geraakt dan wel gestoken dan doordat verdachte, terwijl hij stukjes gebroken glas in zijn hand had, aangever heeft weggeduwd. De rechtbank stelt vast dat de bevindingen van de forensisch arts meer passen bij de door aangever beschreven toedracht, te weten dat verdachte om de bank heen naar aangever is toegerend en hem vervolgens in de buik heeft gestoken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de lezing van verdachte niet aannemelijk en ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de toedracht zoals omschreven door aangever. Bij de beoordeling van het tenlastegelegde gaat de rechtbank dan ook uit van de door aangever geschetste feiten en omstandigheden, te weten dat verdachte aangever heeft aangevallen met het gebroken wijnglas en hem vervolgens in de buik en de linkeronderarm heeft gestoken en/of gesneden.
3.3.3
Bewezenverklaring poging tot doodslag (feit 1 primair)
De vervolgvraag is hoe het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever. Van ‘vol opzet’ is sprake in het geval van willens en wetens handelen.
Beoordeling
Zoals hiervoor in 3.3.2 is overwogen acht de rechtbank de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk en gaat de rechtbank uit van de door aangever omschreven toedracht van de feiten. De lezing van de verdediging, dat verdachte slechts een duw heeft gegeven, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte willens en wetens aangever aangevallen met een stuk glas in zijn handen en aangever daarmee in zijn buik en in zijn onderarm geraakt.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
De rechtbank verwerpt ook het beroep op noodweerexces. Wat er ook zij van de klap die aangever daarvóór aan verdachte had gegeven, dat maakt niet dat daarin een rechtvaardiging kan worden gevonden voor de handelingen van verdachte. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt is door die klap.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten en verdachte strafbaar.
Motivering
6.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daaraan dienen het contactverbod en locatieverbod als bijzondere voorwaarden te worden verbonden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het voorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest (de rechtbank begrijpt: ‘waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest’). Daarnaast kan een taakstraf worden opgelegd. Bij de strafoplegging dient in strafmatigende zin rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat aangever begon met het toepassen van fysiek geweld. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In ieder geval dient niet de schorsing te worden opgeheven.
6.3
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en zware mishandeling.
Na een ruzie heeft verdachte zijn partner met een gebroken wijnglas aangevallen door hem in de buik en linkeronderarm te steken. Door aldus te handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Ter terechtzitting heeft de advocaat van het slachtoffer de slachtofferverklaring voorgelezen. Hieruit blijkt hoeveel impact de aanval heeft gehad en nog steeds heeft op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft blijvend en ernstig letsel opgelopen en ondervindt daarvan zowel lichamelijk als geestelijk nog steeds de gevolgen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het rapport van de forensisch arts volgt dat de gevolgen van het handelen van verdachte voor het slachtoffer nog ernstiger hadden kunnen zijn. Zo was het letsel in de buik levensbedreigend. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat een dergelijk feit ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving zorgt. Dat verdachte zijn partner in zijn woning, bij uitstek de plek waar hij zich het meest veilig hoort te voelen, heeft aangevallen neemt de rechtbank hem kwalijk.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 30 december 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 11 november 2024. Uit dit advies blijkt – zakelijk weergegeven – onder meer dat geen sprake is van een delict patroon. Verdachte is in juli 2023 geschorst uit de voorlopige hechtenis met diverse bijzondere voorwaarden. Sindsdien heeft hij zich consistent gemeld bij de reclassering en heeft hij zijn ambulante behandeling bij de [kliniek] positief afgerond. Verder heeft hij zijn opleiding behaald, een eigen bedrijf opgestart en geen overtredingen van het contact- en locatieverbod begaan. Het risico op (gewelds)recidive wordt ingeschat als laag en is tevens verminderd ten opzichte van de start van het toezicht. Waar de reclassering in het eerdere advies uit januari 2024 nog wel uitkwam op het adviseren van bijzondere voorwaarden bij een veroordeling, staat de reclassering niet langer achter dit advies. Verdachte heeft in de tussentijd zijn behandeldoelen behaald en staat steviger in zijn schoenen. Er is momenteel geen toegevoegde waarde meer van bijzondere voorwaarden bij het beperken van het (lage) recidiverisico. De reclassering adviseert daarom om geen bijzondere voorwaarden of reclasseringstoezicht op te leggen bij een eventuele veroordeling.
Strafoplegging
De aard en ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat sprake is van eendaadse samenloop. Mede gelet op de ernst van het feit zal de rechtbank een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twee jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest.
Hoewel verdachte ter zitting heeft aangegeven dat hij geen contact meer heeft met het slachtoffer zijn er aanwijzingen voor enige vermenging in het sociaal netwerk. De rechtbank zal daarom een contactverbod met het slachtoffer opleggen. De rechtbank acht een locatieverbod niet noodzakelijk en zal dit dan ook niet opleggen.
Voorlopige hechtenis
Nu aan verdachte een gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest wordt opgelegd zal de rechtbank de schorsing opheffen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de raadsvrouw om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen afwijzen.
7Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1.556,27 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 245,- aan ziekenhuis daggeldvergoeding, € 660,- voor kosten huishoudelijke hulp, € 246,76 voor kosten schade woning, € 50,- voor kosten van een badjas, € 295,68 aan kilometervergoeding en € 58,83 voor kosten medicatie. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 15.000,- aan vergoeding van immateriële schade. Verzocht is de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om, gelet op de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om het gevorderde immateriële bedrag te matigen gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij. Ten aanzien van de schadepost huishoudelijke hulp heeft de raadsvrouw verzocht om deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Het blijkt enkel uit de verklaring van een niet-onafhankelijke getuige [getuige] en niet uit de medische stukken.
7.3
Beoordeling
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering ten aanzien van de ziekenhuis daggeldvergoeding, schade in de woning, badjas, kilometervergoeding en medicatie is niet betwist en zal de rechtbank toewijzen.
De raadsvrouw heeft de schadepost huishoudelijke hulp betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost voldoende is onderbouwd. Als gevolg van de bewezenverklaarde feiten was de benadeelde partij ten minste vier weken volledig niet in staat huishoudelijke taken te verrichten. Dit blijkt niet alleen uit de verklaring van mevrouw [getuige] , maar ook uit de verklaring die is afgelegd in het kader van het spreekrecht en de aard en ernst van het letsel. De rechtbank zal aldus het gevorderde bedrag toewijzen.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.556,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door de onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.
De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering te matigen gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep op eigen schuld te honoreren in die zin dat het toe te kennen bedrag zal worden gematigd. Naar het oordeel van de rechtbank is de ontstane schade het gevolg geweest van een omstandigheid die aan verdachte dient te worden toegerekend. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 15.000,-.
De rechtbank wijst de gevraagde schadevergoeding geheel toe tot een bedrag van € 16.556,27.
Voorts wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 16.556,27 (zestienduizend vijfhonderdzesenvijftig euro en zevenentwintig cent).
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair en feit 2 primair
eendaadse samenloop van:
poging tot doodslag
en
zware mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Contactverbod
Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1988.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 1.556,27 (vijftienhonderd zesenvijftig euro en zevenentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 15.000,- (vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 15 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 16.556,27 (zestienduizend vijfhonderdzesenvijftig euro en zevenentwintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 15 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 117 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. B. Kuppens en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.L.M. Meulman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2025.
Feiten
‘Voorwaardelijk opzet’ is aanwezig wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De verdediging heeft gesteld dat verdachte zich niet bewust was van het glas dat hij in zijn handen vasthad. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij de steel van het gebroken wijnglas in zijn handen vasthad. Ook heeft verdachte verklaard dat de bodem van het glas nog aan de steel vastzat. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat verdachte zich wel bewust was van het gebroken wijnglas dat hij in zijn handen vasthad. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw– van oordeel dat verdachte met vol opzet heeft gehandeld en overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft aangever met een gebroken wijnglas in zijn buik gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de buik vitale organen bevinden. Wanneer deze organen door het steken met glas worden geraakt, kan dit leiden tot de dood. Dat verdachte met kracht het gebroken wijnglas in de buik van aangever heeft gestoken, leidt de rechtbank af uit het feit dat een deel van de darm buiten de buikholte kwam en uit het feit dat sprake was van perforaties van de in de buikholte gelegen dunne darm op vier plaatsen. Gelet op het voorgaande kan op basis van de uiterlijke verschijningsvorm worden aangenomen dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever. De forensisch arts heeft het buikletsel bij aangever aangemerkt als (acuut) levensbedreigend. Zonder medisch ingrijpen was aangever waarschijnlijk aan het letsel overleden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde gedragingen van verdachte zozeer gericht op het doden van aangever, dat de wil van verdachte daarop was gericht. De rechtbank acht dan ook de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.
3.3.4
Bewezenverklaring zware mishandeling (feit 2 primair)
Zoals hiervoor onder 3.3.2 is overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever met een gebroken wijnglas (ook) in zijn linkeronderarm heeft geraakt. In 3.3.3 heeft de rechtbank overwogen dat de verdachte ook het opzet had om aangever te raken met het kapotte glas.
De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat het letsel van aangever is te duiden als zwaar lichamelijk letsel, omdat meerdere strekpezen zijn doorgesneden en deze peesletsels zijn gehecht. De geschatte duur van herstel is minimaal zes maanden tot één jaar. Uit de medische verklaring blijkt dat er een grote kans is op functieverlies van de linkerarm. Inmiddels is gebleken dat het letsel daadwerkelijk heeft geleid tot blijvend functieverlies van de linkerarm. Dit blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de foto’s die aangever daarbij heeft overgelegd. Aangever kan zijn linkerhand niet meer volledig gebruiken. Het belemmert hem om zijn werkzaamheden als chef in de keuken op behoorlijke wijze uit te oefenen. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde zware mishandeling bewezen.
Eendaadse samenloop feiten 1 en 2
De rechtbank is overeenkomend met het standpunt van de officier van justitie van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop. In onderhavige zaak is sprake van één feitencomplex waarbij de feiten zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat moet worden geoordeeld dat daar één wilsbesluit aan ten grondslag heeft gelegen.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1 primair.
op 15 juli 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met (de steel van) een gebroken (wijn)glas, in de buik van voornoemde [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2 primair.
op 15 juli 2023 te Amsterdam, aan [benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:
- een (snij/steek/slash)wond in de (linker)(onder)arm, waarbij meerdere strekpezen zijn doorgesneden, heeft toegebracht door met (de steel van) een gebroken (wijn)glas, in de (linker)(onder)arm van voornoemde [benadeelde partij] te steken en/of te snijden.
5De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
5.1
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 primair of subsidiair en/of het onder 2 primair of subsidiair tenlastegelegde, dan is volgens de raadsvrouw sprake van noodweer, dan wel noodweerexces en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De raadsvrouw heeft aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Verdachte kon zich daar niet aan onttrekken en dit kon ook niet van hem worden verwacht.. Het geven van een duw staat daarbij in redelijke verhouding tot het krijgen van een klap.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte disproportioneel heeft gehandeld, dan is dit te wijten aan de hevige gemoedsbeweging die bij verdachte is ontstaan als gevolg van de klap die door aangever is gegeven en de wetenschap dat verdachte bij eerdere onderlinge ruzies meermalen is geslagen.
5.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn en dat verdachte daarvoor ook strafbaar is.
Volgens de officier van justitie was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Uitgaande van de verklaring van aangever was de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding al voorbij op het moment dat verdachte op stond van de bank en afstand nam. Vanaf dat moment was er geen noodzaak meer voor verdachte om zich te verdedigen.
5.3