Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:3408
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,919 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-006209-24
Datum uitspraak: 22 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 10 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 september 2023 door the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1966,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 mei 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court in Radom of 31 August 2021 in the case ref. II K 1284/21.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en twintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het in onderdeel e) van het EAB als eerste vermelde feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 1 waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de in onderdeel e) van het EAB genoemde feiten 2 tot en met 4 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
- diefstal door twee of meer verenigde personen;
- diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
- diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft – kort gezegd – verzocht de opgeëiste persoon op grond van artikel 6a OLW gelijk te stellen met een Nederlander, de overlevering te weigeren en tot strafovername over te gaan. Voorts heeft de raadsman verzocht in dit verband navraag te doen bij de IND.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander. De opgeëiste persoon heeft in 2017 en in 2021 gedetineerd gezeten in Polen, zodat de periode van rechtmatig verblijf is doorbroken.
Beoordeling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon op geen enkele wijze aan de hand van overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De opgeëiste persoon staat sinds oktober 2021 ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar van de periode daarvoor zijn geen stukken overgelegd. Ten aanzien van het inkomen zijn in het geheel geen stukken overgelegd. Nu al niet aan het eerste vereiste is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van het tweede vereiste. Wat de raadsman verder heeft aangevoerd (kort gezegd: bekendheid bij de Nederlandse Belastingdienst, medische behandeling in Nederland en een Poolse partner die in Nederland verblijft) kan daarom niet leiden tot gelijkstelling. De rechtbank verwerpt daarom het verweer en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de IND.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7Evenredigheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat het onderzoek ter zitting moet worden aangehouden, zodat de rechtbank in overleg kan treden met de uitvaardigende justitiële autoriteit om te bezien of het EAB wordt gehandhaafd of dat er - gelet op het evenredigheidbeginsel - andere mogelijkheden zijn. De opgeëiste persoon is eerder overgeleverd ter fine van strafvervolging in Polen, heeft daar continue in voorlopige hechtenis gezeten en is na zijn veroordeling in vrijheid gesteld. Gelet op het processueel verloop is tenuitvoerlegging in Nederland geïndiceerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het (vrij recent uitgevaardigde) EAB heeft gehandhaafd, wat nog eens wordt bevestigd door de beantwoording van de aanvullende vragen op 28 april 2025. De overlevering moet worden toegestaan.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in 2017 en 2021 is overgeleverd aan Polen ter fine van vervolging, en dat nu met onderhavig EAB de overlevering wordt verzocht ter executie van de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf voor (onder meer) de feiten waarvoor de opgeëiste persoon eerder ter vervolging is overgeleverd.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken. Zoals hiervoor onder 5 al is overwogen, is tenuitvoerlegging van de straf in Nederland niet mogelijk nu artikel 6a OLW niet van toepassing is. De rechtbank ziet dan ook geen reden om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten en wijst het aanhoudingsverzoek af.
8Specialiteitsbeginsel
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel is geschonden nu de procedure van artikel 14, lid 3, OLW is omzeild, met als gevolg een strafverzwaring en daarmee een schending van grondrechten zodat geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB op grond van artikel 11 OLW. Door Polen is namelijk geen verzoek om aanvullende toestemming gedaan voor uitbreiding van de vervolging met een extra feit, terwijl de opgeëiste persoon wel voor dit feit is veroordeeld en een hogere straf heeft gekregen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie van 28 april 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering afstand van het specialiteitsbeginsel heeft gedaan, zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, sub f, OLW.
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat eerst na een verzoek om aanvullende toestemming van de uitvaardigende justitiële autoriteit als bedoeld in artikel 14, eerste lid, sub g, OLW, de procedure zoals neergelegd in artikel 14, derde lid, OLW wordt gevolgd. In dit geval hebben de Poolse autoriteiten geen verzoek om aanvullende toestemming gedaan omdat de opgeëiste persoon na overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel en heeft ingestemd met vervolging voor een extra feit, zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, sub f, OLW. De aanvullende informatie van 28 april 2025 vermeldt namelijk:
“On being surrendered, [opgeëiste persoon] expressly waived his right to speciality in relation to the offence mentioned in the letter. For this purpose, he was brought to courton 19 May 2021, where he personally submitted a declaration of intent in which he gave his consent to the prosecution of this offence as well as offences other than those which the surrender was based on. He expressly waived the exercise of the right specifiedin Article 607 e of the Code of Penal Procedure, having been previously advisedof its content.”
Gelet op voornoemde wordt het verweer van de raadsman reeds hierom verworpen en ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
9Eventuele beletselen voor de feitelijke overlevering
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om uitstel van de feitelijke overlevering omdat de opgeëiste persoon onder meer op 27 mei 2025 medische afspraken heeft in verband met diverse gezondheidsproblemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in Polen de vereiste medische zorg in detentie voorhanden is. Verder zijn er geen beletselen voor feitelijke overlevering, hetgeen bovendien pas aan de orde komt na het toestaan van de overlevering.
Beoordeling
Wat de raadsman heeft aangevoerd, komt neer op een verzoek tot uitstel van de feitelijke overlevering (artikel 35 en 36 OLW). Hoewel de feitelijke overlevering sinds 1 oktober 2024 een kwestie is waarover de rechtbank oordeelt, is het niet een beoordeling die in dit stadium van de overleveringsprocedure voorligt. Een dergelijk verzoek kan schriftelijk worden ingediend en zal na de uitspraak van de rechtbank worden behandeld door de raadkamer.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
11Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
ofwel na de zitting maar voorafgaand aan de uitspraak (in dat geval in voorwaardelijke vorm, namelijk voor het geval de rechtbank de overlevering toestaat) ofwel na de uitspraak.