Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-23
ECLI:NL:RBAMS:2025:3348
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,556 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3588
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. Albers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
( [gemachtigde verweerder] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en draagt het college op aan eiser een urgentieverklaring te geven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser is een alleenstaande man en woont sinds 1 juni 2017 op de [adres 1] in Amsterdam. Dit is een driekamerwoning van 42m2 op de eerste etage. Eiser heeft artrose, waardoor hij moeilijker de trap op en af kan. Tevens heeft hij darmklachten en is bij hem HIV vastgesteld. In 2016 is bij eiser een hersenvliestumor, een meningeoom, vastgesteld, waarvoor hij is behandeld in het VUmc. Op 17 januari 2017 heeft het college aan eiser (en zijn toenmalige partner) een urgentieverklaring toegekend voor een gelijkvloerse benedenwoning of een woning met lift.
2.2.
Eiser heeft op 30 september 2023 een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend. Met het primaire besluit van 27 februari 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs was op te lossen of te voorkomen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2024 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser in 2017 een urgentieverklaring gekregen voor een gelijkvloerse benedenwoning of een woning met lift. Eiser heeft er echter voor gekozen om te gaan wonen in een woning op de eerste etage, die niet te bereiken is met een lift. Dit was een eigen te respecteren keuze, maar een keuze waarvan de consequenties wel voor rekening en risico van eiser komen. Het huidige huisvestingsprobleem, specifiek de moeite om de trappen op en af te komen, was te voorkomen door in 2017 een andere woning te accepteren. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet, omdat er geen sprake is van een acuut levensbedreigend probleem.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als maatschappelijk werkster van de Regenbooggroep en de gemachtigde van het college.
2.6.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting geschorst zodat eiser recente medische stukken kon overleggen. Vervolgens kreeg het college de gelegenheid om de toegestuurde stukken voor te leggen aan de GGD. Eiser heeft op 4 april 2025 medische stukken overgelegd, namelijk een uitdraai van het VUmc, een uitdraai van de praktijkondersteuner waarbij een uitdraai wordt gegeven van zijn vorige huisarts en een verklaring van de maatschappelijk werker. Het college heeft op 8 april 2025 laten weten geen aanleiding te zien om aanvullend onderzoek in te stellen bij de GGD-arts.
2.7.
De rechtbank heeft vervolgens op 15 april 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling
3. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van een zogenoemde algemene weigeringsgrond. De systematiek van de Huisvestingsverordening brengt met zich mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst dan de aanvraag daarom niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals ook medische urgentie.
Was het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen?
4.1.
De algemene weigeringsgrond die het college aan eiser tegenwerpt volgt uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hvv. Uit deze bepaling volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen of redelijkerwijs op een andere wijze kon oplossen.
4.2.
Eiser voert aan dat de medische klachten in 2017 zijn veranderd. De artrose is pas na vijf jaar ontstaan, waardoor het lopen is verslechterd. Daarnaast voert eiser aan dat hij in 2017 de woning niet mocht weigeren. Hij was toen dakloos, en mocht na zijn operatie tijdelijk in een gastenverblijf van het VUmc verblijven. Hij moest daar uit, waardoor hij geen keuze had. Ook meent eiser dat het niet klopt dat hij was geadviseerd om een begane grond woning te accepteren.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat, anders dan eiser stelt, de urgentieverklaring in 2017 wel is verleend voor een woning op de begane grond of met lift. De woning van eiser voldoet daar niet aan, waardoor de woning volgens het advies van de GGD niet passend is.
4.4.
Het college werpt eiser tegen dat hij zijn huidige woonruimteprobleem had kunnen voorkomen door in 2017 niet zijn huidige woning te accepteren, maar alleen een woning op de begane grond, of een woning met een lift. De vraag is of het college deze weigeringsgrond aan eiser kan tegenwerpen.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat het college niet heeft onderzocht onder welke omstandigheden eiser zijn huidige woning destijds heeft geaccepteerd. De rechtbank vindt dat het college dat wel had moeten doen. Het college wijst de aanvraag van eiser immers af omdat hem nu wordt verweten dat hij in 2017 deze keuze maakte. Zijn keuze heeft, zeven jaar later, vergaande consequenties voor hem. De omstandigheden waaronder eiser de woning in 2017 accepteerde, zijn dus wel degelijk relevant. Door dit niet te onderzoeken, is het besluit onzorgvuldig voorbereid.
4.6.
Het college heeft de omstandigheden die eiser noemt niet betwist. De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser in 2017 dakloos was. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser van 27 augustus 2014 tot 1 juni 2017 stond ingeschreven op het adres [adres 2] , het briefadres voor daklozen. Eiser is dus vanuit dakloosheid in zijn huidige woning gaan wonen. De rechtbank vindt het ook aannemelijk dat eiser voor 1 juni 2017, na zijn opname in het VUmc, tijdelijk in een gastenverblijf van het VUmc kon blijven, maar dat dat verblijf slechts tijdelijk was. De GGD heeft in 2017 bovendien geconstateerd dat zijn dakloosheid levensontwrichtend was. De GGD adviseerde: ‘De beperkingen van betrokkene zijn van dusdanig ernstige aard dat zijn huidige onzekere woonsituatie voor hem levensontwrichtend is. Verbetering valt niet te verwachten. De mobiliteitsproblemen zijn van dien aard dat er een indicatie is voor een woning op de begane grond of bereikbaar met lift.’
4.7.
De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser toen direct een woning nodig had. Volgens eiser was er geen alternatief voor zijn huidige woning. Het college heeft niet aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er toen voor eiser op korte termijn een woning op de begane grond of met lift beschikbaar was. Het had op de weg van het college gelegen om te onderbouwen dat eiser in 2017 op basis van zijn urgentieverklaring binnen afzienbare tijd een woning op de begane grond of met lift had kunnen krijgen. Daarbij komt dat eiser in 2017 een urgentieverklaring heeft gekregen met zijn toenmalige partner, nu is hij alleenstaand en op zichzelf aangewezen. Ook deze omstandigheid is relevant en heeft het college niet nader onderzocht.
4.8.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser geen andere keuze had dan om zijn huidige woning te accepteren, gezien zijn medische situatie en zijn dakloosheid. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval de algemene weigeringsgrond in artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hvv niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen.
Hoe nu verder?
5. Nu geen sprake is van een algemene weigeringsgrond kan een urgentieverklaring worden verleend indien de woningzoekenden op grond van medische redenen dringend woonruimte nodig heeft. Daarbij is van belang dat de GGD in 2017 al heeft aangegeven dat de situatie van eiser levensontwrichtend is en de situatie niet zal verbeteren. De praktijkondersteuner van de huisarts van eiser bevestigde op 4 maart 2025 dat de situatie van eiser niet is verbeterd: ‘Dhr. [eiser] komt vanwege zijn pijnklachten en lichamelijke verzwakking vrijwel niet meer buiten. Ook onderzoeken in het ziekenhuis wijst hij om deze reden soms af, ziet er te veel tegenop om de trap te moeten nemen’.
6. Daarbij komt dat het college een besluit van 6 september 2023 heeft overgelegd. In dat besluit wijst het college een aanvraag van eiser voor een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting af. Uit het besluit volgt dat Argonaut in het kader van die aanvraag het volgende adviseerde: ‘Uit observatie blijkt dat u niet op veilige en adequate wijze de trap kunt belopen’. Hoewel Argonaut dit als medisch adviseur van het college heeft geadviseerd in het kader van een Wmo-aanvraag, en niet in het kader van een urgentieaanvraag, is de conclusie duidelijk.
7. Omdat de medische situatie van eiser, en de noodzaak om geen trap meer te hoeven lopen, voldoende vaststaat, is naar het oordeel van de rechtbank een medisch advies van de GGD niet meer nodig. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiser aan de voorwaarden voor het toekennen van een urgentieverklaring op medische gronden. Dit betekent dat de rechtbank zelf in de zaak zal voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst in deze zaak geen andere zou zijn, indien het college opnieuw in de zaak zou voorzien met inachtneming van de eerdergenoemde omstandigheden.
Conclusie
8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het college binnen twee weken na deze uitspraak een urgentieverklaring op medische gronden aan eiser verstrekt voor een gelijkvloerse benedenwoning of een woning met lift.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 mei 2024;
- herroept het primaire besluit van 27 februari 2024;
- draagt het college op om eiser binnen twee weken na deze uitspraak een (medische) urgentieverklaring te verlenen voor een gelijkvloerse benedenwoning of een woning met lift;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Versie 16 januari 2023.
Artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv.
Een aanvraag in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Ook deze aanvraag wees het college af omdat sprake was van een voorzienbaar ongeschikte verhuizing in 2017.
Argonaut Advies is de medisch adviseur van het college in Wmo zaken.
Het advies van Argonaut zit niet in het dossier.
Artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv en artikel 10.1 en 11 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.