Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-22
ECLI:NL:RBAMS:2025:3335
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
2,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/2365
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. ten Hoedt).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2.1.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 april 2025 afgewezen omdat verzoekster niet in de gemeente Amsterdam woont. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam] en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoekster voert aan dat zij door de afwijzing van haar aanvraag voor een bijstandsuitkering in een acute sociale en financiële noodsituatie verkeert. Zij is niet in staat om in haar eerste levensbehoefte te voorzien, nu zij niet over een inkomen of vermogen beschikt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een beslissing op haar verzoek, omdat zij door de besluitvorming van verweerder geen bijstand ontvangt.
Heeft het bezwaar een redelijke kan van slagen?
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster een aanvraag heeft gedaan om een bijstandsuitkering voor bijzondere doelgroepen. In het algemeen geldt dat in een aanvraagsituatie de bewijslast en het bewijsrisico bij de aanvrager ligt. Dat houdt in dat degene die de aanvraag doet, de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die zijn aanvraag onderbouwen. Daarvoor dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Hierbij vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven.
5. Zoals de Centrale Raad van Beroep (de Raad) eerder heeft overwogen, moeten de daklozen die een zwervend bestaan leiden worden gerekend tot de doelgroep van de wettelijke regeling voor adreslozen en is voor de beoordeling van het recht op bijstand van de adresloze de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het dossier het volgende blijkt. Op
13 maart 2025 heeft verzoekster zich met de heer [naam] gemeld aan de balie van verweerder met het verzoek om een bijstandsuitkering. Verzoekster heeft hierbij aangegeven dat zij sinds 12 maart 2025 bij de heer [naam] verblijft maar dat zij niet lang op dit adres kan verblijven omdat het huis van de heer [naam] vol is.
De heer [naam] heeft op 17 maart 2025 een verklaring tijdelijk verblijf ondertekend waarin hij verklaart dat verzoekster één à twee nachten per week bij hem verblijft. Uit de rapportage van 31 maart 2025 blijkt dat verzoekster tijdens een gesprek met een klantbegeleider van verweerder op 25 maart 2025 heeft verklaard dat zij één of twee nachten bij de heer [naam] verblijft maar dat zij daar per direct niet meer welkom is omdat ze zwanger is. Uit dezelfde rapportage blijkt dat de heer [naam] en verzoekster tijdens de intake op 31 maart 2025 hebben bevestigd dat de verklaring tijdelijk verblijf van
17 maart 2025, ondertekend door de heer [naam] , naar waarheid is ingevuld. Op de vraag van de klantbegeleider waar verzoekster de overige vijf à zes dagen verblijft, heeft verzoekster aangegeven dat ze bij haar moeder in Brabant heeft verbleven. Verzoekster heeft een verklaring van haar moeder overgelegd, ondertekend op 25 maart 2025, waarin haar moeder verklaart dat verzoekster af en toe bij haar overnacht.
7. Op de zitting heeft verzoekster aangevoerd dat voorgaande stellingen niet kloppen en dat zij niet heeft gezegd dat zij vijf à zes dagen bij haar moeder verblijft maar dat zij overwegend in Amsterdam is verbleven sinds 13 maart 2025. Verzoekster heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich heeft gemeld bij het OLVG. Daarnaast heeft verzoekster ter zitting stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich op 2 april 2025 heeft gemeld bij de huisarts van de heer [naam] . In deze stukken vermeldt de huisarts dat verzoekster door dakloosheid tijdelijk hier en daar logeert. Ook heeft verzoekster ter zitting stukken van een apotheek in Amsterdam overgelegd waaruit blijkt dat zij vanaf
17 maart 2025 twee à drie keer per maand in de maanden maart en april medicijnen heeft opgehaald.
8. Gelet op de beschikbare verklaringen en stukken acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat verzoekster in de relevante periode vijf à zes dagen per week bij haar moeder in Brabant heeft verbleven, dus buiten gemeente Amsterdam, en slechts één à twee nachten per week bij de heer [naam] in Amsterdam. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode in geding overwegend in Amsterdam verbleef en dat zij zwervende dakloze te Amsterdam was. De door verzoekster aangevoerde omstandigheden - dat zij medicijnen heeft opgehaald bij een apotheek in Amsterdam, dat zij zich op 8 april 2025, na het bestreden besluit, heeft gemeld bij het OLVG in Amsterdam en dat zij op
2 april 2025 eenmalig de huisarts van de heer [naam] in Amsterdam heeft bezocht - maken dit oordeel niet anders omdat die in lijn zijn met de situatie waarbij verzoekster één à twee nachten per week in Amsterdam verbleef. Het bezwaar heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af en overweegt hierbij dat als de feitelijke situatie gewijzigd is, verzoekster een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering kan doen. Zoals op de zitting is gebleken, heeft verzoekster daartoe bij verweerder al een nieuwe melding gedaan op 8 mei 2025.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 3 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD3393 en van 15 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2494.