Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:3259
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,450 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/6036
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2025 in de zaak tussen
Bond van Volkstuinders, te Amsterdam, eiser
(gemachtigden: mr. J.B.C. van der Veer & P.M. de Wit)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Ouder-Amstel, verweerder, hierna: de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met de besluiten van 31 december 2023 (de primaire besluiten) heeft de heffingsambtenaar aan de leden van eiser een aanslag forensenbelasting 2023 opgelegd.
Een aantal leden van eiser heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 30 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 april 2025. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen forensenbelasting voor het belastingjaar 2023 terecht en naar een juist bedrag aan de leden van eiser zijn opgelegd.
Toetsingskader
2. In de Verordening op de heffing en invordering van de Forensenbelasting 2023 (hierna: de verordening) is gebruik gemaakt van de in artikel 223 van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid forensenbelasting te heffen. Op grond van artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder ‘woning’ een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet. Volgens artikel 2 van de verordening wordt onder de naam “forensenbelasting” een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Volgens artikel 3 van de verordening bedraagt de belasting voor een niet voor permanente bewoning geschikte woning € 108,73.
3. Volgens vaste jurisprudentie is van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 2 van de verordening sprake indien de woning op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor normale menselijke bewoning te dienen, zonder dat acht wordt geslagen op de mate waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt. Daartoe dient op zijn minst te worden beschikt over elementaire voorzieningen.
Beoordeling
Gemeubileerde woning?
4. Eiser voert aan dat de tuinhuisjes niet zijn bedoeld voor permanente bewoning en zij om die reden niet onder de definitie van een gemeubileerde woning vallen. Daartoe wordt verwezen naar de registratie in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) waar de tuinhuisjes een andere aanduiding dan een woonfunctie hebben. Daarnaast gelden er beperkingen ten aanzien van de tuinhuisjes: het gebruik ervan is beperkt tot een specifieke periode (1 april tot 1 oktober/1 november), de huisjes zijn klein (maximaal 28 m²), alleen de tuinder en het gezin mogen er verblijven en volkstuinen hebben een laag voorzieningenniveau (vaak geen elektriciteitsaansluitingen, vaak geen water in de winter en geen aansluiting op de riolering). Bovendien is het hoofddoel van de volkstuinen tuinieren. Het verblijf in tuinhuisjes is ondergeschikt aan deze activiteit en dient voornamelijk ter ondersteuning van het tuinieren.
5. De heffingsambtenaar meent dat de kwalificatie 'gemeubileerde woning' niet afhankelijk is van de BAG-registratie. Zelfs als een tuinhuisje in de BAG geen woonfunctie heeft, kan het voor de forensenbelasting als gemeubileerde woning worden aangemerkt. De beschikbaarheid van een gemeubileerde woning gedurende meer dan 90 dagen per jaar is voldoende voor het heffen van forensenbelasting, ongeacht het daadwerkelijke gebruik. De fysieke grootte van een woning is ook niet doorslaggevend voor de belastingplicht in het kader van de forensenbelasting. In de jurisprudentie wordt bij de beoordeling of een woning als 'gemeubileerde woning' kwalificeert, gekeken naar de feitelijke geschiktheid en bestemming voor bewoning. Essentiële voorzieningen zoals toilet-, kook- en wasgelegenheid spelen hierbij een rol. Echter het ontbreken van centrale verwarming en het ontbreken van elektriciteit staan niet in de weg aan de kwalificatie als gemeubileerde woning. Ook het lozen van afvalwater op een andere wijze dan via de gemeentelijke riolering maakt niet dat tuinhuisjes niet aangemerkt kunnen worden als gemeubileerde woningen. In de praktijk blijkt ook dat er veelvuldig feitelijk verblijf wordt gehouden door de tuinders.
6. Uit het voorgaande blijkt dat de tuinhuisjes op zijn minst beschikken over elementaire voorzieningen. Daarom oordeelt de rechtbank dat de tuinhuisjes in beginsel bestemd en geschikt zijn om enigszins duurzaam voor bewoning te dienen en derhalve als gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet moeten worden aangemerkt. De stelling dat het hoofddoel tuinieren is doet hier niet aan af. Overigens heeft de heffingsambtenaar op de zitting uitgelegd dat de aanslagen forensenbelasting met betrekking tot tuinhuisjes waarin geen meubels staan of die verbouwd worden en daarom niet als ‘gemeubileerde woning’ kwalificeren in de bezwaarfase zijn vernietigd. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
7. Daarnaast voert eiser aan dat de hoogte van de belasting onevenredig en disproportioneel is. Eiser verwijst hiertoe naar de situatie in de gemeente Gulpen-Wittem en de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024. Bovendien meent eiser dat de belangen van de volkstuinders onvoldoende zijn meegewogen in het besluitvormingsproces. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2024. Volgens eiser kunnen de tuinders de belastingverhoging niet dragen.
8. De heffingsambtenaar stelt dat de gemeenteraad heeft geconstateerd dat het tarief voor de forensenbelasting lager ligt dan bij omliggende gemeenten. Uit de gemeentelijke stukken blijkt dat de gemeenteraad de aanpassing gefaseerd over vier jaar uitvoert om te groeien naar een tarief naar het niveau van omliggende gemeenten. Deze gefaseerde aanpak toont aan dat de gemeenteraad rekening heeft gehouden met de draagkracht van de betrokkenen en abrupte schokken heeft vermeden. Dat de tarieven in absolute zin aanzienlijk stijgen, maakt de maatregel nog niet onrechtmatig. In dit geval is de verhoging noodzakelijk geacht om de kosten van gemeentelijke voorzieningen te dekken en om te voorzien in de financiële behoeften van de gemeente. Hierbij blijkt dat de verhoging, hoewel aanzienlijk, niet disproportioneel is ten opzichte van het beoogde doel.
9. De rechtbank stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 216 van de Gemeentewet besluit de gemeenteraad tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening. Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is (artikel 217 van de Gemeentewet). Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen gemeenten met uitzondering van het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. De belastingrechter mag hierover niet oordelen, tenzij de belasting leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing waarop de wetgever bij het aan de lokale overheden toekennen van de bevoegdheid tot heffen van belasting niet het oog kan hebben gehad. Dit betekent dat de rechtbank zich terughoudend dient op te stellen bij haar beoordeling (exceptieve toetsing).
10. Gezien de uitleg van de heffingsambtenaar in overweging 8 is de rechtbank, exceptief toetsend, van oordeel dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft eiser niet voldoende onderbouwd dat de verhoging van de forensenbelasting onevenredig zwaar drukt op de tuinders en zij de lastenverhoging niet kunnen dragen. Dat de forensenbelasting in de toekomst waarschijnlijk verder gaat stijgen, is een situatie waar de rechtbank niet nu al rekening mee kan houden.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
ECLI:NL:HR:1994:ZC5609.
ECLI:NL:GHARL:2023:3449.
ECLI:NL:HR:2013:CA3878.
ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6856.
ECLI:NL:HR:2024:1297.
ECLI:NL:HR:2024:1178.