Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-07
ECLI:NL:RBAMS:2025:31
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,829 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1657
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] ., uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een aan haar opgelegde loonsanctie.
Met het bestreden besluit van 2 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: drs. G. Sprenkels (arts-gemachtigde van eiseres) en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Geen toestemming voor het delen van medische gegevens
1. Eiseres is de werkgever van mevrouw [naam 1] (werkneemster). Omdat werkneemster geen toestemming heeft gegeven om haar medische gegevens in te laten zien door eiseres, zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en zullen de medische klachten van werkneemster slechts in algemene zin worden benoemd.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Werkneemster werkte voor 36 uur per week als arts-onderzoeker. Op 5 juli 2021 heeft werkneemster zich ziekgemeld voor dit werk. Op 29 maart 2023 heeft werkneemster bij verweerder een WIA-uitkering aangevraagd.
3. Met het besluit van 30 juni 2023 heeft verweerder aan eiseres een loonsanctie opgelegd, die inhoudt dat eiseres aan werkneemster loon moet doorbetalen tot 1 juli 2024. Volgens verweerder heeft eiseres niet voldoende gedaan om werkneemster te latenre-integreren. Verweerder heeft aan dit besluit rapporten van de verzekeringsarts van 13, 26 en 28 juni 2023 en een rapport van de arbeidsdeskundige van 30 juni 2023 ten grondslag gelegd. Eiseres heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de oplegging van de loonactie gehandhaafd. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 januari 2024 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 februari 2024.
Juridisch kader
5. In artikel 25 van de Wet WIA zijn bepalingen gegeven met betrekking tot de re-integratieverplichtingen van een werkgever tijdens ziekte van zijn werknemer. Hieruit volgt dat, voor zover hier van belang, indien eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verweerder het tijdvak gedurende welke werkneemster recht heeft op doorbetaling van haar loon door eiseres verlengt. Zodoende kan de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde re-integratie-inspanningen herstellen.
6. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (de Beleidsregels) is uitgewerkt hoe verweerder beziet of een werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Volgens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar verweerder de inspanningen van eiseres op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Ook als verweerder de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat eiseres daarvoor een deugdelijke grond heeft, wordt geen loonsanctie opgelegd.
7. Volgens dit kader besteedt verweerder bij die beoordeling aandacht aan voorschriften uit de Wet Verbetering Poortwachter en de Regeling Procesgang eerste en tweede ziektejaar, aan de medische aspecten en aan de arbeidsdeskundige aspecten en werkinpassing. Met betrekking tot de medische aspecten gaat het om de volgende vragen: (i) heeft de werknemer een naar algemeen medische maatstaven adequate behandeling voor zijn ziekte of gebrek ondergaan; (ii) is nagegaan of door behandeling, training of revalidatie de functionele mogelijkheden kunnen worden vergroot; (iii) is voorzien in adequate begeleiding op weg naar vergroting van de functionele mogelijkheden; (iv) is de beoordeling van de bedrijfsarts met betrekking tot de functionele mogelijkheden van de werknemer ten aanzien van de eigen arbeid en eventuele passende, andere arbeid plausibel; en (v) is rekening gehouden met de stand van de wetenschap en de eisen van professionele dienstverlening, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in protocollen en richtlijnen of instructies?
Beoordeling
8. Niet in geschil is dat de re-integratie-inspanningen van eiseres niet tot een bevredigend re-integratieresultaat hebben geleid. De rechtbank moet daarom beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht.
Onvoldoende re-integratie-inspanningen
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er re-integratiekansen gemist zijn. Volgens verweerder is niet inzichtelijk hoe de bedrijfsarts van eiseres de belastbaarheid van werkneemster heeft beoordeeld. De bedrijfsarts heeft geen medische informatie opgevraagd bij de behandelaars van werkneemster. Daarnaast is de sociaal medische begeleiding door de bedrijfsarts tijdens de WIA-wachttijd, de periode van 104 weken vanaf de ziekmelding, niet adequaat geweest. Er zijn meerdere momenten geweest waarop aanleiding was om een interventie in te zetten, nader onderzoek te doen of medische informatie op te vragen bij de behandelaars. Weliswaar heeft de bedrijfsarts twee keer een interventie geadviseerd, december 2021 en begin 2022, maar dit is onvoldoende om van adequate begeleiding te kunnen spreken.
10. Eiseres voert aan dat de bedrijfsarts weliswaar tot maart 2023 geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelaars, maar dit is ook niet verplicht als er voldoende zicht is op de aard en ernst van de problematiek. Dat was volgens eiseres het geval.
11. De rechtbank is van oordeel dat de bedrijfsarts ten onrechte niet tijdig medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelaars, terwijl daartoe wel aanleiding was. Werkneemster heeft zelf behandelaars ingeschakeld, maar zonder bevredigend resultaat. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat werkneemster in mei 2022 volledig is uitgevallen. Door het gedurende twee jaar niet opvragen van medische informatie kan niet worden gesteld dat de bedrijfsarts voldoende zicht had op de aard en ernst van de problematiek. Uit het dossier blijkt namelijk dat er voldoende signalen waren dat de behandeling niet op gang kwam, niet aansloeg of anders verliep dan de bedrijfsarts had geadviseerd. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat als de bedrijfsarts tijdig informatie had opgevraagd bij de behandelaars van werkneemster, de volledige uitval van werkneemster in mei 2022 wellicht voorkomen had kunnen worden. De bedrijfsarts had werkneemster dan immers tijdig kunnen begeleiden naar een passendere behandeling.
12. Eiseres voert aan dat de bedrijfsarts de belastbaarheid van werkneemster juist heeft ingeschat. Het ziekteverloop van werkneemster zoals dat door de bedrijfsarts is beschreven wordt volgens eiseres bevestigd door informatie van de behandelaar van werkneemster van 22 juni 2023. De behandelaar beschrijft dat de behandeling dusdanig intensief was dat opbouw van werkzaamheden te belastend zou zijn voor herstel. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de bedrijfsarts, ook met het ontbreken van medische informatie van de behandelaars, zelf tot een oordeel kon komen over de belastbaarheid van werkneemster omdat het medisch beeld duidelijk was.
13. De rechtbank overweegt dat de inschatting van de belastbaarheid van werkneemster door de bedrijfsarts niet inzichtelijk is. De brief van de behandelaar geeft de belastbaarheid van werkneemster weer in juni 2023. Uit de brief volgt niet wat de belastbaarheid van werkneemster was gedurende de WIA-wachttijd. Daarnaast zijn de door de bedrijfsarts opgestelde probleemanalyses beknopt geformuleerd. In de probleemanalyses staan beperkingen genoemd, maar op grond waarvan de bedrijfsarts deze specifieke beperkingen stelt, is onduidelijk. In sommige probleemanalyses neemt de bedrijfsarts aan dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt is en in andere probleemanalyses stelt hij vast dat werkneemster gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. De bedrijfsarts onderbouwt niet of slechts summier hoe hij tot deze verschillen komt. Daarnaast heeft de bedrijfsarts niet aangegeven hoe werkneemster, met de beperkingen die zij heeft, kan re-integreren. Weliswaar is het zo dat een bedrijfsarts zelf tot een inschatting van de belastbaarheid kan komen, maar zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen was er in dit geval aanleiding om medische informatie op te vragen. Bij het ontbreken van deze informatie is de inschatting van de belastbaarheid van werkneemster door de bedrijfsarts niet objectiveerbaar.
14. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de begeleiding die de bedrijfsarts werkneemster heeft geboden voldoende was. Het enkele feit dat er niet direct of een “zware” interventie is ingezet, wil niet automatisch zeggen dat daarmee de belastbaarheid van werkneemster (sneller) zou zijn verbeterd. Daarnaast is een wisselend beloop van de klachten inherent aan het ziektebeeld van werkneemster. Onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] stelt eiseres zich verder op het standpunt dat re-integratie maatwerk vereist. Soms zijn re-integratiemogelijkheden niet direct aan de orde; er kan ook sprake zijn van opbouw.
15. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit de Beleidsregels volgt dat rekening gehouden moet worden met protocollen en richtlijnen. Voor de problematiek waar werkneemster mee te kampen heeft, is een richtlijn opgesteld. Deze richtlijn schrijft voor dat de aanpak activerend moet zijn. De bedrijfsarts heeft de medische situatie van werkneemster enige tijd op zijn beloop gelaten, mede omdat werkneemster zelf behandelaars had ingeschakeld. Deze handelswijze is, zonder dat de bedrijfsarts over medische informatie van de behandelaars beschikte, niet te volgen. De werkneemster had in eerste instantie gekozen voor een ander soort behandeling dan door de bedrijfsarts in 2021 was geadviseerd. Alleen dit was volgens de rechtbank al reden voor een actievere begeleiding. Er waren daarnaast meerdere signalen dat de behandeling niet aansloeg of niet passend was en dat sprake was van stagnatie. Hier heeft eiseres onvoldoende op geanticipeerd en dat getuigt niet van maatwerk. Dat het ziektebeeld van werkneemster zich wellicht kenmerkt door een wisselend beloop van klachten kan de rechtbank begrijpen maar dit ontslaat eiseres niet van de verplichting om in te zetten op passende re-integratie en de geldende richtlijn te volgen. De bedrijfsarts heeft niet gemotiveerd waarom hij de richtlijn niet gevolgd heeft.
16. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat er re-integratiekansen zijn gemist.
Geen deugdelijke grond
17. Vervolgens is de vraag aan de orde of er een deugdelijke grond bestaat voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen.
18. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat zij het advies van de bedrijfsarts heeft gevolgd en haar dus niet verweten kan worden dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Een onjuist advies dient niet voor haar rekening en risico te komen.
19. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is en blijft de werkgever verantwoordelijk voor de re-integratie van zijn werknemer. Dit impliceert eveneens verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door hem ingeschakelde deskundigen. Uit de recente uitspraak van de Raad van 28 november 2024 blijkt dat dit nog steeds de geldende lijn is. In deze uitspraak beschrijft de Raad dat drie rechtbanken een nuancering hebben aangebracht op het uitgangspunt dat onjuiste adviezen van bedrijfsartsen voor rekening en risico komen van de werkgever. De Raad ziet hierin geen aanleiding om zijn vaste rechtspraak over de zogeheten ‘voor rekening en risico’-benadering bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever niet langer te volgen. De Raad verwijst kortheidshalve naar zijn uitspraak van 23 november 2023 en wat in die uitspraak daarover is overwogen.
20.
Conclusie
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2025.
griffier
rechter
de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek.
ECLI:NL:CRVB:2024:2262.
ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2014:3159.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:852.