Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-12
ECLI:NL:RBAMS:2025:3039
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,955 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/763
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag). Eiser is van mening dat de naheffingsaanslag niet aan hem mocht worden opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiser heeft niet voldaan aan de voorschriften voor het parkeren met een gehandicaptenparkeervergunning, dus had hij op een andere wijze parkeerbelasting moeten voldoen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser de naheffingsaanslag opgelegd met dagtekening 25 november 2023.
2.1.
Met de bestreden uitspraak van 30 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
2.2.
Eiser heeft daarop beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser was, hoewel hij op de juiste wijze was uitgenodigd, zonder bericht van verhindering niet aanwezig.
Beoordeling
3. Op 22 november 2023 stond de auto met [kentekennummer 1] omstreeks 6.53 uur geparkeerd ter hoogte van de [adres] in Amsterdam.
3.1.
Eiser voert aan dat hij beschikt over een invalidenparkeerkaart. Het kenteken van de auto waarmee hij parkeerde, [kentekennummer 1] , staat op naam van [naam] . Het is niet mogelijk om dit kenteken te koppelen aan eisers invalidenkaart. Eiser voert verder aan dat met de auto uitsluitend geparkeerd wordt op een invalidenplek, met een invalidenkaart. Verder kan eiser de reden van de heffingsambtenaar om de naheffingsaanslag niet uit coulance in te trekken, niet volgen. Toen de heffingsambtenaar de vorige keer een naheffingsaanslag vernietigde, speelden andere feiten en omstandigheden. De registratie van het kenteken was daarbij niet van belang.
3.2.
De heffingsambtenaar legt aan de naheffingsaanslag ten grondslag dat er geen of te weinig parkeerbelasting is betaald voor het parkeren. Eiser heeft een gehandicaptenparkeervergunning, maar het kenteken van de auto waarmee geparkeerd is, is anders dan het geregistreerde kenteken van de gehandicaptenparkeervergunning. De gehandicaptenparkeervergunning kan geldig zijn voor een ander kenteken, maar dan moet deze wel voor elke afzonderlijke parkeeractie aangemeld worden. Dat is niet gebeurd.
3.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser beschikt over een Europese gehandicaptenparkeerkaart (door eiser aangeduid als invalidenkaart) en een parkeervergunning voor gehandicapte bezoekers. Eisers parkeervergunning staat gekoppeld aan een ander kenteken dan het kenteken waarmee hij op 22 november 2023 heeft geparkeerd, namelijk het [kentekennummer 2] . Voor een goed begrip van de zaak moet onderscheid worden gemaakt tussen de Europese gehandicaptenparkeerkaart (invalidenkaart) en de parkeervergunning voor gehandicapte bezoekers, zoals blijkt uit het volgende.
3.4.
Eiser had zijn auto geparkeerd op een locatie die tussen 10.00 en 18.00 uur geldt als een gehandicaptenparkeerplaats. Dit volgt uit het ter plaatse aanwezige bord. Dit bord houdt in dat tussen 10.00 en 18.00 uur alleen op deze locatie kan worden geparkeerd met een Europese gehandicaptenparkeerkaart (invalidenkaart). Buiten dit tijdvak is de parkeerplaats een fiscale parkeerplaats. Dat betekent dat er ter plekke moet worden betaald voor het parkeren (bij een parkeerautomaat of via een app) of dat er met een geldige parkeervergunning moet worden geparkeerd. Omdat eiser om 6.53 uur had geparkeerd diende hij dus voor het parkeren te betalen of te parkeren met een geldige parkeervergunning. Parkeren met alleen een Europese gehandicaptenparkeerkaart (invalidenkaart) was op dat tijdstip niet mogelijk. Niet in geschil is dat eiser niet had betaald voor het parkeren. Van een geldige parkeervergunning was echter ook geen sprake. Aan het [kentekennummer 1] , waarmee eiser had geparkeerd, was namelijk geen parkeervergunning gekoppeld. Eiser had met zijn parkeervergunning voor gehandicapte bezoekers gratis op deze locatie kunnen parkeren, indien hij het [kentekennummer 1] had aangemeld op zijn parkeervergunning. Eiser hoefde dus niet, zoals hij veronderstelt, het kenteken te koppelen aan zijn Europese gehandicaptenparkeerkaart (invalidenkaart).
3.5.
Volgens vaste rechtspraak is alleen sprake van parkeren met een vergunning als is voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de parkeervergunning. Nu eiser geparkeerd heeft zonder het kenteken van de auto aan te melden op zijn parkeervergunning, is geen sprake van parkeren met een vergunning. Omdat eiser ook niet op andere wijze parkeerbelasting had voldaan door bijvoorbeeld ter plekke te betalen bij een parkeerautomaat, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
3.6.
In een eerder geval heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd. Weliswaar speelden bij de eerdere naheffingsaanslag andere feiten, maar het staat de heffingsambtenaar vrij om ervoor te kiezen niet opnieuw coulance toe te passen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 4, onderdeel 1, en artikel 1 van der Verordening parkeerbelasting 2023.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336