Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:2950
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2486
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L. Nix),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
( [gemachtigde verweerder] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om maatschappelijke opvang. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen de spoedeisendheid en of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2025 afgewezen. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen omdat zij eiser niet op meerdere leefgebieden beperkt zelfredzaam acht. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder is tevens [naam] ter zitting verschenen.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
6. Verzoeker voert aan inmiddels negen maanden dakloos te zijn nadat hij door zijn ex-partner, waarmee hij 43 jaar samen was, uit huis is gezet. Verzoeker is er niet in geslaagd in zijn eigen netwerk toereikende en duurzame opvangmogelijkheden te vinden. Verzoeker heeft een broer in [woonplaats] maar diens thuissituatie is niet zodanig dat verzoeker daar kan verblijven. Verzoeker slaapt op dit moment op straat.
7. Verzoeker heeft een op 8 april 2025 gedateerde brief van zijn huisarts overgelegd. De huisarts verklaart dat verzoeker lichamelijk en psychisch afglijdt en dat zijn psychische klachten verergeren door de dakloosheid. De huisarts acht verzoeker niet in staat om zelf een woning te vinden en vraagt om verzoeker met urgentie toe te laten tot de maatschappelijke opvang.
8. Hoewel het voor de voorzieningenrechter duidelijk is dat verzoeker in een penibele situatie verkeert, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hiertoe is het volgende van belang.
9. Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, eerste lid, en uit artikel 1.2.1, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). De maatschappelijke opvang biedt tijdelijk onderdak en begeleiding aan personen die niet zelfredzaam zijn. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij hoofdzakelijk een huisvestingsprobleem heeft. Voor de andere hulpvragen krijgt verzoeker ondersteuning. Een begeleider van het Buurtteam helpt verzoeker naar tevredenheid.
10. Of verzoeker daadwerkelijk zelfredzaam is, is iets wat in de bezwaarprocedure nader onderzocht moet worden, mede omdat uit de brief van de huisarts blijkt dat verzoeker zich in een neerwaartse spiraal bevindt. Gelet op de begeleiding die reeds is ingezet, is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende om te kunnen spreken van een acute onhoudbare situatie.
11. Daarbij weegt ook mee dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de beslissing op bezwaar binnen vier weken verwacht wordt en dat de brief van de huisarts daarin wordt meegewogen. Aangezien verzoeker al geruime tijd, namelijk 9 maanden, in dezelfde situatie verkeert, is niet gebleken dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
12. Wegens het ontbreken van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Dit is alleen anders als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht dat nu al duidelijk is dat het door verweerder ingenomen standpunt onjuist is en het besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden. Hoewel uit het screeningsrapport van Trajectus volgt dat verzoeker niet op alle getoetste punten volledig zelfredzaam wordt geacht, brengt dit niet met zich dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet op voorhand aan te nemen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.