Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:2922
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,842 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/124039-24
Datum uitspraak: 16 april 2025
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 20 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2024 door The Regional Court in Szeczecin in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 april 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
a. a) the cumulative judgment of the District Court in Swinoujscie dated 26 May 2021 (II K 416/20);
b) the judgment of the Regional Court in Szczecin dated 1 December 2021 (IV Ka 1411/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 5 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Het arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Vonnis II K 416/20 / arrest IV Ka 1411/21
Standpunt raadsman
De hoger beroepsprocedure met zaaknummer IV Ka 1411/21 dient aan artikel 12 OLW te worden getoetst. De opgeëiste persoon verklaart niet op de hoogte te zijn geweest van het verzamelvonnis. Gelet op de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van
18 maart 2025 zou de opgeëiste persoon in eerste aanleg een advocaat hebben gemachtigd en deze zou zijn machtiging aan een andere advocaat hebben doorgegeven. Met deze informatie kan niet worden vast gesteld of aan de eisen van artikel 12 OLW is voldaan. Er dient dan ook nadere informatie door de Poolse autoriteiten te worden verschaft over de verstrekte machtiging aan de advocaat bij het proces in hoger beroep.
Standpunt officier van justitie
De hoger beroepsprocedure IV Ka 1411/21 dient aan artikel 12 OLW te worden getoetst.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich niet voor aangezien de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat.
Oordeel van de rechtbank
Uit de in het EAB vermelde informatie blijkt dat in eerste aanleg op 26 mei 2021 door
the District Court in Swinoujscie een verzamelvonnis (II K 416/20) is gewezen en dat in hoger beroep the Regional Court in Szczecin arrest heeft gewezen op 1 december 2021.
Wat betreft het verzamelvonnis geldt dat als sprake is van wijziging van de duur van eerder onherroepelijk opgelegde straffen en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt, de rechterlijke beslissing waarbij de verzamelstraf is opgelegd moet worden getoetst aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en aan artikel 12 van de OLW (HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek)).
De rechtbank zal dat in deze zaak dus ook moeten doen.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Uit de informatie van het EAB blijkt dat door the Regional Court in Szczecin op 1 december 2021 arrest is gewezen. Deze procedure dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW.
Uit informatie van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen gedurende de procedure in hoger beroep. Wel staat vermeld dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van de procedure ter zitting, is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat. De rechtbank oordeelt dat zich daarmee de situatie voordoet als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW.
Daar doet niet aan af dat uit de aanvullende informatie van 18 maart 2025 blijkt dat tijdens de procedure in hoger beroep de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat is waargenomen door een andere advocaat, nu uit de verstrekte informatie blijkt dat de door de opgeëiste persoon verstrekte machtiging hiertoe ruimte gaf. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank strekt een door een opgeëiste persoon verleende machtiging aan zijn advocaat om hem op zitting te vertegenwoordigen zich in beginsel ook uit over eventuele plaatsvervangers of waarnemers van die advocaat. Verder overweegt de rechtbank dat op basis van het vertrouwensbeginsel uitgegaan moet worden van de juistheid van de in het EAB en de aanvullend verstrekte informatie van de Poolse autoriteiten.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing. Het verweer wordt verworpen.
De onderliggende vonnissen van het verzamelvonnis II K 416/20
Uit de aanvullende informatie van 28 maart 2025 blijkt dat het verzamelvonnis met kenmerk
II K 416/20 een samenvoeging van straffen betreft die aan de opgeëiste persoon zijn opgelegd in meerdere voorgaande strafprocedures.
Uit voornoemd arrest Zdziaszek volgt dat ook de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen, waarin onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd, moeten worden getoetst aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en aan artikel 12 van de OLW.
Uit de aanvullende informatie van 28 maart 2025 blijkt dat de Poolse autoriteiten de door het IRC verzochte informatie ten aanzien van alle onderliggende vonnissen niet voor de zitting van 2 april 2025 kunnen verstrekken. Op de dag van de zitting is er in het Pools opgestelde informatie van de Poolse autoriteiten binnengekomen, maar deze is nog niet vertaald.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of ten aanzien van de onderliggende vonnissen al dan niet de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.
Daarom zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen in afwachting van de vertaling van de in het Pools opgestelde aanvullende informatie.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
- Diefstal, meermalen gepleegd;
- Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van valse sleutels;
- Diefstal door twee of meer verenigde personen.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt om op grond van de op voorhand overgelegde stukken de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW. Op grond hiervan dient de overlevering te worden geweigerd met overname van de in Polen opgelegde straf.
Standpunt van de officier van justitie
De opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van
artikel 6a OLW. De overlevering dien derhalve te worden geweigerd met overname van de in Polen opgelegde straf.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 27 maart 2025 volgt dat de verwachting is dat de opgeëiste persoon als gevolg van de veroordeling in Polen niet zijn verblijfsrecht in Nederland verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
Omdat de rechtbank hiervoor onder 4. heeft besloten het onderzoek te heropenen en schorsen, komt zij nu niet toe aan de beoordeling of de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank zal dat beoordelen als op basis van de gevraagde aanvullende informatie wordt geoordeeld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat
7Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de vertaling van de bij de rechtbank op 2 april 2025 binnengekomen in het Poolse opgestelde aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten af te wachten.
BEPAALT dat de zaak opnieuw dient te worden ingepland uiterlijk 14 dagen voor afloop van de 90-dagen beslistermijn op 19 mei 2025.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. (of eerste, derde, vierde en vijfde lid OLW)
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
O.a. Rb. Amsterdam 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6496, Rb. 8 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7441, Rb. Amsterdam 3 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2458, Rb. Amsterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1931 en Rb. Amsterdam 28 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4868.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).