Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:2899
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,256 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2810
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Kraan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor kamergewijze verhuur. Eiser is het niet eens met de afwijzing van die aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat verweerder niet heeft onderzocht of er voor de gevraagde activiteit wel een omgevingsvergunning is vereist. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor kamergewijze verhuur op de locaties [adres 1] en [adres 2] in Amstelveen. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 oktober 2023 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 15 januari 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (hierna: het bestreden besluit) omdat de aanvraag niet voldoet aan het geldende bestemmingsplan en verweerder vanwege de vrees voor precedentwerking niet wil afwijken van het bestemmingsplan.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de locatie [adres 2] . Eiser heeft aangegeven af te zien van een mondelinge behandeling.
5. De rechtbank heeft vervolgens verweerder laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of verweerder het daarmee eens is. Omdat verweerder daarna niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
Omgevingsvergunning vereist?
6. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen omgevingsvergunning nodig heeft, omdat de kamergewijze verhuur onder het overgangsrecht al is toegestaan.
7. Op het adres [adres 2] is het bestemmingsplan [bestemmingsplan] (zoals vastgesteld op 23 september 2020, hierna: het bestemmingsplan) van toepassing. Artikel 44.4 van het bestemmingsplan luidt:
44.4
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
8. Artikel 44.7 van het bestemmingsplan luidt:
44.7
Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 44.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
9. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het adres al in 2019 gebruikte voor kamergewijze verhuur en toen door inspecteurs van de gemeente Amstelveen is vastgesteld dat dat gebruik in overeenstemming was met de op dat moment geldende planologische regels. Ingevolge bestemmingsplan [bestemmingsplan] (vastgesteld op 28 november 2007) was kamergewijze verhuur namelijk toegestaan.
10. In het bestreden besluit wordt het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften. In dat advies staat onder andere:
Ten aanzien van de bezwaren die zien op de vraag of met een beroep op het overgangsrecht al dan niet voor onderhavige kamergewijze verhuur een vergunning is benodigd, merkt de commissie op dat slechts de aanvraag zoals ingediend voorligt ter beoordeling. De vraag of het gebruik in overeenstemming is met het overgangsrecht betreft immers een kwestie van handhaving, die in een procedure als onderhavige niet aan de orde kunnen komen.
11. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder onjuist is. De vraag of een vergunning benodigd is, is wel degelijk een vraag die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag door verweerder beantwoord moet worden. Indien namelijk een vergunning wordt gevraagd voor een activiteit waarvoor geen vergunning is vereist, behoort een bestuursorgaan de aanvraag af te wijzen. In de rechtspraak wordt zo’n besluit ook wel een ‘positieve weigering’ genoemd.
12. Het beroep van eiser slaagt, omdat verweerder niet heeft beoordeeld of eiser voor de aangevraagde activiteit überhaupt een omgevingsvergunning nodig heeft. Mogelijk is dit op grond van het overgangsrecht niet het geval. Verweerder zal dit moeten onderzoeken.
Overige beroepsgronden
13. Eiser heeft ook gesteld dat verweerder om diverse redenen gehouden was de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
14. Nu de rechtbank van oordeel is dat het beroep reeds slaagt omdat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of er überhaupt een vergunning is vereist, komt de rechtbank aan de beoordeling van deze beroepsgronden niet toe. De vraag of de vergunning verleend had moeten worden, komt immers pas aan de orde als geconcludeerd moet worden dat er een vergunning nodig is. Verweerder zal eerst die vraag moeten beantwoorden.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen, omdat het aan verweerder is om eerst de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te vergaren en daarna een gemotiveerd besluit nemen.
16. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
17. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als mvolgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 15 januari 2024;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:640 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:131.
Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.