Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-28
ECLI:NL:RBAMS:2025:2893
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,622 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5784
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres], te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met het besluit van 31 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een aanslag precariobelasting opgelegd van € 31.950,40 over het belastingjaar 2023.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van
12 augustus 2024 (de bestreden uitspraak I) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak I beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Met het besluit van 23 december 2024 (de bestreden uitspraak II) heeft de heffingsambtenaar de aanslag precariobelasting over het belastingjaar 2023 ambtshalve verminderd naar € 20.070,40.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2025. De gemachtigde van eiseres is verschenen, bijgestaan door [de persoon] (vertegenwoordiger van [eiseres]). De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van [heffingsambtenaar] .
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres exploiteert een horecagelegenheid genaamd “ [naam 2] ” aan de [adres] in Amsterdam. Bij de horecagelegenheid bevindt zich een onoverdekt terras. Bij de vaststelling van de hoogte van de aanslagen precariobelasting is een onderscheid gemaakt tussen het gebruik van het terras in de winter en in de zomer.
Beoordeling
De bestreden uitspraak I
2. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft het beroep tegen de bestreden uitspraak I van rechtswege mede betrekking op de bestreden uitspraak II. Nu de bestreden uitspraak I door de heffingsambtenaar niet is gehandhaafd en is vervangen door de bestreden uitspraak II en niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden uitspraak I, zal de rechtbank het beroep tegen de bestreden uitspraak I niet-ontvankelijk verklaren.
De bestreden uitspraak II
Juridisch kader
3. Voor het hebben van een terras op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, heft de heffingsambtenaar precariobelasting. De tarieven voor de zomer- en winterterrassen zijn opgenomen in de Verordening Precariobelasting Amsterdam 2020 (hierna: de Verordening).
Onvoldoende communicatie?
4. Eiseres voert aan dat wegens de coronapandemie een periode van drie jaar geen precariobelasting werd afgedragen door horecaondernemers In het belastingjaar 2023 is de heffingsambtenaar ineens weer gaan heffen inclusief de winterterrassen en tegen (veel) hogere tarieven. Hier was de gemiddelde horecaondernemer niet op bedacht. De gemeente heeft hierover ook niet voldoende gecommuniceerd.
5. De heffingsambtenaar stelt dat alle belastingverordeningen worden gepubliceerd in het Gemeenteblad en zijn te raadplegen via de website. Wijzigingen in de belastingtarieven worden daarnaast altijd gecommuniceerd via de website van de gemeente. De aanpassingen in de precariobelasting zijn in 2019 via een mailing aan branchevereniging MKB Amsterdam en Koninklijke Horeca Nederland, de nieuwsbrief BIZ Amsterdam, Amsterdam.nl/ondernemen, Amsterdam.nl/nieuws en de Krant Amsterdam gemeld. Ook is de precariobelasting op verschillende andere momenten onder de aandacht gebracht bij Koninklijke Horeca Nederland. Over de hervatting van de precariobelastingheffing na de coronaperiode is eveneens aandacht besteed in de gemeentelijk communicatie. Volgens de heffingsambtenaar heeft de gemeente Amsterdam dan ook via diverse kanalen en op een adequate wijze het publiek geïnformeerd.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De aanslag precariobelasting over het belastingjaar 2023 is de eerste aanslag na de coronapandemie. De gemeente Amsterdam heeft over het belastingjaar 2019 nog precariobelasting geheven, maar over de jaren 2020 tot en met 2022 niet, in verband met de coronapandemie. De gemeenteraad van Amsterdam heeft in 2019 wel al besloten tot een wijziging van de precarioheffing en stelde op 3 december 2019 de Verordening vast. De aanslag over 2023 is op deze Verordening gebaseerd. De Verordening houdt een aantal wijzigingen in, zoals een stapsgewijze verhoging tussen de jaren 2020 – 2023 van de belastingtarieven en de toevoeging van precarioheffing voor een winterterras, naast de al bestaande heffing voor een zomerterras. De stapsgewijze verhoging van de tarieven precariobelasting die in 2019 was aangekondigd, ook die over 2021 en 2022, is in 2023 in een keer doorgevoerd. Er is dan ook niet ineens flink verhoogd. Feitelijk hebben terrashouders zich vanaf 2019 kunnen voorbereiden op de stapsgewijze opbouw die uiteindelijk pas in 2023 is doorgevoerd.
7. De rechtbank is daarbij van oordeel dat voldoende en duidelijk is gecommuniceerd over de belastingheffing en dat aspirant terrashouders – desnoods na enig onderzoek – genoegzaam kennis hebben kunnen nemen van de nieuwe precarioregeling. Voor zover eiseres aanvoert geen kennis te hebben genomen van de verhoging, aangezien in de jaren 2020 – 2022 geen precariobelasting werd geheven, oordeelt de rechtbank dat dit onder haar ondernemersrisico valt.
Schending van het evenredigheidsbeginsel?
8. Eiseres meent dat de bevoegdheid om precariobelasting te heffen en tarieven vast te stellen wordt beperkt door het evenredigheidsbeginsel. Doordat er geen opbrengstenplafond is, kan de gemeente ongelimiteerd hoge tarieven vaststellen, die feitelijk niet te dragen zijn door de belastingplichtige(n). Eiseres merkt op dat het aanslagbedrag van € 9.483,90 over 2019 is verhoogd naar € 31.950,40 over het jaar 2023. Dit is een verhoging van (afgerond) 337%. Bovendien stelt eiseres dat nergens uit af te leiden valt dat het belang van de horeca is meegenomen in de belangenafweging. Daarnaast is er geen mogelijkheid geboden om af te zien van een winterterras of om te kiezen voor minder vierkante meters aan terras. De gemeente is het daar blijkbaar mee eens, want voor het belastingjaar 2024 staat er inmiddels wel een keuzemogelijkheid op de website van de gemeente Amsterdam.
9. De heffingsambtenaar heeft onweersproken toegelicht dat de gemeenteraad als uitgangspunt een differentiatie in tarieven voor ogen stond, waarbij recht wordt gedaan aan de druk in de openbare ruimte en waarbij gebieden met een vergelijkbare druk hetzelfde tarief krijgen. Dit wilde de gemeenteraad realiseren door een stapsgewijze verhoging van de tarieven precariobelasting in de jaren 2020, 2021 en 2022. Volgens de heffingsambtenaar blijkt uit deze stapsgewijze verhoging dat rekening is gehouden met de belangen van horecaondernemers. De heffingsambtenaar licht verder toe dat de achtergrond van dit scenario het verdienpotentieel is dat samenhangt met de exploitatie van terrassen in de stad en een vergelijking met de tarieven van andere Nederlandse steden met een aanzienlijk volume aan bezoekers. Uit de vergelijking blijkt dat de gemeente Utrecht relatief lage tarieven hanteert. De gemeente Nijmegen heeft de hoogste tarieven. De huidige tarieven voor onoverdekte terrassen van Amsterdam komen het meest overeen met die van Utrecht. Na verhoging van deze tarieven neemt Amsterdam met Maastricht een middenpositie in.
10. De rechtbank stelt voorop dat aangezien de formele wetgever de gemeentelijke wetgever nauwelijks beperkingen heeft opgelegd als het gaat om de tariefstelling bij precariobelastingen, de rechter de politieke besluitvorming daarover in beginsel moet respecteren. Voor ingrijpen door de rechter is alleen dan plaats als die besluitvorming oncontroleerbaar of onzorgvuldig is geweest bijvoorbeeld, omdat de daarbij gemaakte keuzes niet zijn gemotiveerd of omdat geen aandacht is besteed aan de belangen van degenen die door de te nemen besluiten in het bijzonder worden getroffen (exceptieve toetsing). De rechtbank stelt vast dat het eiseres gaat om de onzorgvuldigheid van de besluitvorming.
11. Gezien de uitleg van de heffingsambtenaar in overweging 10 is de rechtbank, exceptief toetsend, van oordeel dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Conclusie
12. Het beroep tegen de bestreden uitspraak I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de bestreden uitspraak II is ongegrond.
13. Nu de heffingsambtenaar ambtshalve de aanslag precariobelasting over het belastingjaar 2023 heeft verminderd, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tevens in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de bestreden uitspraak I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de bestreden uitspraak II ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.814,-;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, voorzitter, mr. T.L. Fernig – Rocour en
mr. C.J. van Niejenhuis – Baijens, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2025.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Artikel 228 van de Gemeentewet.