Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-05-01
ECLI:NL:RBAMS:2025:2719
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,459 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/053265-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 1 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2024 door het Hof van Beroep Antwerpen (België, hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in Marokko op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde (EAB I) gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 april 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van beroep Antwerpen van 19 juni 2024 (referentie: 2024/563 (griffienummer: 898/24).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijftien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 450 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW ziet op de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure die ten grondslag ligt aan het EAB. In dit artikel is bepaald dat overlevering kan worden geweigerd wanneer de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij zich één van de in dat artikel onder a tot en met d genoemde omstandigheden voordoet.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, zoals in dit geval, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Standpunten van de raadsman en officier van justitie
De raadsman heeft opgemerkt dat uit de informatie in het EAB volgt dat geen sprake was van uitreiking van de dagvaarding in persoon.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder a OLW zich voordoet en dat weigering op grond van artikel 12 OLW dus niet aan de orde is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
De rechtbank is van oordeel dat uit de in het EAB verstrekte informatie niet kan worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard voor de zitting. Er is vermeld dat de dagvaarding per aangetekend schrijven is betekend, maar dat de dagvaarding ook door de opgeëiste persoon in ontvangst is genomen, is niet vermeld. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW doet zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder 3.1a verder vermeld dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een advocaat. Bij e-mail van 20 maart 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op een vraag van de parketsecretaris geantwoord dat onderdeel 3.2 van sectie D inderdaad van toepassing is. Dit onderdeel ziet op de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder b, van de OLW. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de e-mail van 20 maart 2025 nog meegedeeld dat ervan uit wordt gegaan dat als een advocaat optreedt voor zijn cliënt, hij hiervoor ook mandaat heeft. Daarbij is opgemerkt dat als de advocaat geen mandaat heeft de advocaat zich zonder instructies zal verklaren, wat hier niet het geval was. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren en dat die advocaat tijdens het proces zijn verdediging heeft gevoerd. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, van de OLW doet zich dus voor, waardoor weigering op grond van artikel 12 OLW niet aan de orde is.
4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 21 maart 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Hof van Beroep Antwerpen (België voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en O.P.M. Fruytier, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. R.R. Eijsten en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.