Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:2674
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,758 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/019300-25
Datum uitspraak: 17 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2024 (en aangepast op 24 maart 2025) door the District Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 27 maart 2025
De behandeling van het EAB heeft – nadat de behandeling op de zitting van 6 maart 2025 wegens het ontbreken van een tolk was aangehouden – plaatsgevonden op de zitting van 27 maart 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie nadere vragen over de verdedigingsrechten in het proces van het triggerende feit (procedure met kenmerk V K 896/14) te laten stellen.
Zitting van 10 april 2025
De behandeling van het EAB is – na toestemming van de officier van justitie en de verdediging – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 10 april 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and valid judgement of the Regional court for Wrocław-Krzyki in Wrocław, of 7 May 2014, reference symbol of documents: VII K 92/14.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en zes dagen. De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Bij beslissing van the Regional Court for Wrocław -Krzyki van 27 april 2015 is de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevolen. Vervolgens is bij beslissing van the District Court in Wrocław van 17 september 2018 de voorwaardelijke invrijheidsstelling bevolen, die is herroepen bij beslissing van 9 augustus 2019 door dezelfde instantie omdat de opgeëiste persoon zich niet had gehouden aan de aan hem opgelegde voorwaarden.
Het hiervoor genoemde arrest van 7 mei 2014 betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Volgens hem kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in de procedure, die tot de beslissing aangaande het triggerende feit heeft geleid, heeft kunnen uitoefenen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op vragen hierover namelijk geantwoord dat “The requested person took part in the proceedings”. ‘Took part’ is, aldus de raadsman, voor meerdere uitleg vatbaar. Het zou kunnen betekenen dat de opgeëiste persoon ‘took part’ middels een ex officio advocaat omdat blijkens dezelfde informatie daarvan sprake is geweest. Nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een gemachtigd advocaat die de opgeëiste persoon op zitting heeft verdedigd en er geen verzetgarantie is verstrekt, moet de overlevering worden geweigerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de vraagstelling, het antwoord daarop en de zinsneden “took part in the proceedings (…) himself” en “he was also represented by a defence counsel chosen ex officio”, kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot de beslissing van het triggerende feit heeft geleid.
Beoordeling
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court for Wrocław van 7 mei 2014 aan artikel 12 OLW toetsen.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing van 7 mei 2014 heeft geleid.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Regional Court for Wrocław -Krzyki van 27 april 2015 is de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevolen, omdat de opgeëiste persoon bij beslissing van the judgement of the Regional Court for Wrocław- Śródmieście in Wrocław van 30 oktober 2014 met referentie V K 896/14 is veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in een aanvulling van 24 maart 2025 op het EAB ten aanzien van uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon bij the judgement of the Regional Court for Wrocław- Śródmieście in Wrocław van 20 oktober 2014 (V K 896/14) onder meer het volgende meegedeeld:
“The requested person took part in the proceedings before the Regional Court for Wrocław- Śródmieście himself, conducted in the case V K 896/14, he was
also
[onderstreping door de rechtbank]
represented by a defence counsel chosen ex officio.”
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de woorden “took part (…) himself” en “he was also represented by a defence counsel chosen ex officio” kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot de beslissing van het triggerende feit heeft geleid (waarbij hij tevens is verdedigd door een toegewezen advocaat). Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het triggerende feit de weigeringsgrond van artikel 12 OLW daarom niet van toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Dictum
Dit geldt ook voor de beslissing van 9 augustus 2019, waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen, zodat ook deze beslissing niet valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Concluderend staat artikel 12 OLW niet aan het toestaan van de overlevering in de weg.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
diefstal, voorafgegaan door geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken/bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
het doen van een valse aangifte
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 188 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Wrocław, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.