Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:2637
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,368 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/765807 / KG ZA 25-162 NB/MV
Vonnis in kort geding van 24 april 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats 1] (Verenigd Koninkrijk),
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),
eisers bij gelijkluidende dagvaardingen van 18 maart 2025,
advocaat mr. S. Yntema te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,verschenen bij haar bestuurder [gedaagde 2] ,
2. [gedaagde 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,in persoon verschenen,
gedaagden.
Eisers zullen hierna ook [eiser 1] en [eiser 2] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.
Procesverloop
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding, die is verplaatst van 1 april 2025 naar 10 april 2025, hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Gedaagden hebben gedeeltelijk verweer gevoerd.Eisers hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren mr. Yntema, [eiser 1] en [gedaagde 2] aanwezig ( [eiser 1] en [gedaagde 2] via een digitale verbinding).
Na verder debat is vonnis bepaald op 24 april 2025.
Feiten
2.1.
[gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] handelt onder de naam [bedrijf] . Zij biedt particulieren de mogelijkheid te investeren via ‘managed accounts’.
2.2.
Op 4 januari 2023 is [eiser 1] een beleggingsovereenkomst aangegaan met [gedaagde 1] . Krachtens die overeenkomst kon [eiser 1] op ieder moment en zonder beperkingen over zijn beleggingstegoed beschikken. In de periode tussen 30 maart 2023 en 15 april 2023 heeft [eiser 1] in totaal GBP 94.605,04 aan [gedaagde 1] overgemaakt.
2.3.
[eiser 2] heeft een gelijkluidende overeenkomst gesloten met [gedaagde 1] . Op 5 januari 2023 en op 15 februari 2023 heeft hij in totaal GBP 10.000 aan [gedaagde 1] overgemaakt.
2.4.
Op 23 mei 2023 heeft [eiser 1] [gedaagde 1] verzocht om terugbetaling van zijn inleg in het fonds uiterlijk in juni 2023. Na diverse bevestigingen van de kant van gedaagden dat het geld zal worden betaald, en na diverse aanmaningen van de kant van [eiser 1] , heeft [gedaagde 1] op 22 november 2024 GBP 40.000 aan [eiser 1] betaald.
2.5.
Op 20 december 2024 heeft [eiser 1] [gedaagde 1] verzocht het resterende bedrag van GBP 54.605,04 uit te betalen. Ondanks toezeggingen van [gedaagde 1] is betaling van dit bedrag uitgebleven.
2.6.
Blijkens een zogenoemd Statement for January 2025 bedroeg het saldo van de beleggingen van [eiser 1] op dat moment € 538.258,18.
2.7.
Op 21 februari 2025 heeft de advocaat van eisers [gedaagde 1] (ter attentie van [gedaagde 2] ) gesommeerd tot uitbetaling van GPB 54.605,04 aan [eiser 1] en GBP 10.000 aan [eiser 2] . In de brief is onder meer opgenomen dat [eiser 2] op 28 augustus 2024 heeft verzocht om terugbetaling van zijn investering per 1 november 2024, maar dat ondanks meerdere herinneringen dit bedrag niet is voldaan.
Geschil
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – kort gezegd – het volgende:
I. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van(i) GBP 54.604,04 aan [eiser 1] en (ii) GBP 10.000 aan [eiser 2]te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans ex artikel 6:119 BW, voor [eiser 1] vanaf 23 mei 2023 en voor [eiser 2] vanaf 28 augustus 2024, althans voor beiden vanaf 21 februari 2025, tot aan de dag van voldoening;
II. [gedaagde 1] te veroordelen om [eiser 2] binnen een door de rechtbank te bepalen termijn inzicht te verschaffen in het rendement dat is behaald op de investering van [eiser 2] , door middel van een deugdelijke en verifieerbare financiële opgave;
III. [gedaagde 2] te veroordelen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen een door de rechtbank gestelde termijn aan haar verplichtingen voldoet, tot betaling (i) aan [eiser 1] van € 538.258,18, althans de initiële investering van GBP 54.605,05; (ii) aan [eiser 2] van GBP 10.000 vermeerderd met het door hem behaalde maar nog onbekende rendement; te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans ex artikel 6:119 BW, voor [eiser 1] vanaf 23 mei 2023 en voor [eiser 2] vanaf 28 augustus 2024, althans voor beiden vanaf 21 februari 2025, tot aan de dag van voldoening;
IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Eisers stellen hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Zij zijn beiden met [gedaagde 1] overeengekomen dat zij op ieder moment hun ingelegde gelden kunnen opnemen. Om uitkering te ontvangen zouden zij slechts een e-mail hoeven sturen naar [gedaagde 1] . [gedaagde 1] heeft het bestaan van deze afspraken en de verschuldigdheid van de gevorderde bedragen nooit betwist. Zij komt echter keer op keer met andere excuses om niet uit te betalen of de betaling uit te stellen. In dit kort geding vorderen eisers daarom nakoming van de overeenkomst met [gedaagde 1] op grond van artikel 3:296 BW. De vordering jegens [gedaagde 2] is gegrond op artikel 6:162 BW. [gedaagde 2] is aansprakelijk voor terugbetaling van de ingelegde gelden zowel op persoonlijke titel als in hoedanigheid van bestuurder omdat hem ter zake van de benadeling persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hij wist of had redelijkerwijs kunnen weten dat [gedaagde 1] niet aan haar verplichtingen kon voldoen op de momenten dat zij toezeggingen deed tot terugbetaling. Hij heeft actief meegedaan aan de misleiding door [gedaagde 1] . [gedaagde 2] wist of behoorde redelijkerwijs te weten dat de beleggingen werden aangeboden zonder vergunning, waardoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] handelen in strijd met artikel 2:55 Wft. Dit kwalificeert tevens als een strafbaar feit krachtens artikel 1 sub 2 WED. Tot slot is van belang dat [gedaagde 2] als enig aandeelhouder en bestuurder de volledige beschikkingsmacht heeft over [gedaagde 1] . Eisers verbinden aan hun vordering jegens [gedaagde 2] de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen een door de rechtbank gestelde termijn aan haar verplichtingen heeft voldaan. Indien [gedaagde 1] niet betaalt, staat de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] vast. Eisers hebben een spoedeisend belang bij toewijzing van hun vorderingen omdat zij de vrees hebben dat sprake is van een ponzi scheme ofwel een piramidefraude (hun beleggingen zijn aangewend om aan andere investeerders uit te keren).
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat zij nog voor het eind van de maand april 2025, zodra zij over gelden beschikken, tot uitbetaling aan eisers zullen overgaan. Mocht dit niet lukken, dan is er een plan B (geld uit een andere bron). Dat een en ander langer heeft geduurd, komt onder meer door een reorganisatie, door allerlei veranderingen op de markt en omdat ook andere afspraken moesten worden nageleefd. Er zit geen opzet achter en [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben ook hun excuses aangeboden voor de vertraging. Op het rendement dat aan [eiser 1] is voorgespiegeld (ruim € 538.000,-) zal hij moeten wachten. Dit rendement is alleen te behalen als [gedaagde 1] daar de tijd voor krijgt en daar moeten dan nieuwe afspraken over worden gemaakt. Bovendien moet nog berekend worden welke kosten op dit rendement in mindering moeten worden gebracht.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zal toewijzen en indien de eisende partij een spoedeisend belang heeft bij betaling.
4.2.
[gedaagde 1] heeft erkend GBP 54.604,04 aan [eiser 1] en GBP 10.000 aan [eiser 2] verschuldigd te zijn. Aannemelijk is dus dat de bodemrechter deze bedragen zal toewijzen. Eisers hebben ook een spoedeisend belang bij betaling. Zij wachten hier al geruime tijd op – meerdere toezeggingen van [gedaagde 1] zijn niet nagekomen – en niet kan worden uitgesloten dat hun vrees dat sprake is van een piramidefraude terecht is. Onder die omstandigheid kan van hen niet worden gevergd de uitkomst van de bodemprocedure te moeten afwachten.
4.3.
[gedaagde 1] zal tevens worden veroordeeld in de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. Artikel 6:119a BW mist toepassing omdat eisers niet hebben gehandeld in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en er dus geen sprake is van een handelsovereenkomst. Ten aanzien van [eiser 1] is de ingangsdatum van de wettelijke rente 23 mei 2023 en ten aanzien van [eiser 2] 28 augustus 2024. Hiertegen heeft [gedaagde 1] geen verweer gevoerd.
4.4.
Tegen vordering II ( [eiser 2] inzicht te verschaffen in het rendement dat is behaald op zijn investering) heeft [gedaagde 1] evenmin verweer gevoerd. [eiser 2] heeft hierbij een spoedeisend belang. Ook die vordering is dus toewijsbaar. Een termijn van veertien dagen komt redelijk voor.
4.5.
Voor het geval [gedaagde 1] de jegens haar uitgesproken betalingsveroordelingen niet binnen een termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis nakomt, wordt ook [gedaagde 2] hiertoe veroordeeld. [gedaagde 2] heeft hiertegen op de mondelinge behandeling van dit kort geding geen verweer gevoerd. Gezien hetgeen eisers hierover hebben aangevoerd, is de vordering jegens [gedaagde 2] toewijsbaar omdat hij in persoon en als bestuurder aansprakelijk en schadeplichtig is, indien [gedaagde 1] niet aan de veroordeling voldoet.
4.6.
De vordering [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van het rendement is in kort geding niet toewijsbaar. De stelling van eisers is dat sprake is van een Ponzi fraude. In dat geval is niet aannemelijk dat op de inleg van eisers rendement is behaald. Dit deel van de vordering is vooralsnog dan ook niet toewijsbaar in kort geding.
4.7.
Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proces- en nakosten worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiser 1] van GBP 54.604,04, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 mei 2023 tot aan de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiser 2] van GBP 10.000, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 augustus 2024 tot aan de dag van voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om [eiser 2] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis inzicht te verschaffen in het rendement dat is behaald op de investering van [eiser 2] , door middel van een deugdelijke en verifieerbare financiële opgave,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] , onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan aan de onder 5.1, 5.2 en 5.3 vermelde veroordelingen tot betaling van:(i) GBP 54.605,04 aan [eiser 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 mei 2023 tot aan de dag van voldoening,(ii) GBP 10.000 aan [eiser 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 augustus 2024 tot aan de dag van voldoening,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op € 288,94 aan dagvaardingskosten, € 1.374,00 aan griffierecht en € 1.107,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van eisers begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.
type: MV
coll: BB