Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-03
ECLI:NL:RBAMS:2025:251
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste en enige aanleg
842 tokens
Dictum
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,gemachtigde mr. B. Kahraman,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. S.D. Arnold, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Bij brief van mr. Kahraman van 13 december 2024 heeft verzoekster de rechter gewraakt.
1.2
Bij e-mail van 16 december 2024 is deze brief is door de griffier mr. P. Tanis naar de wrakingskamer gezonden. Bij e-mail van 23 december 2024 heeft de griffier de wrakingskamer bericht dat een door verzoekster in te dienen verzoek om herziening (artikel 8:119 Awb) als een nieuwe zaak zal worden aangemerkt en door een andere rechter en griffier zal worden behandeld.
1.3.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
Feiten
2.1.
Bij de rechter zijn zaken in behandeling geweest waarin verzoekster eisende partij is. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is verweerder. Het betreft de zaken met zaaknummers AMS 23/6161, AMS 23/6162 en AMS 23/6153. Op 11 december 2024 heeft de rechter uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft hij de verzoeken om verweerder te veroordelen in de proceskosten afgewezen. In de brief van 13 december 2024 van mr. Kahraman is opgenomen dat verzoekster zich niet kan vinden in die uitspraak, onder meer omdat haar schriftelijke reactie van 27 november 2023 ontbreekt in de overwegingen die hebben geleid tot de uitspraak. Om die reden verzoekt zij de uitspraak opnieuw te laten beoordelen door een andere rechter en wraakt zij de rechter. Ook is zij voornemens een klacht in te dienen omdat de rechter en de griffier zich schuldig hebben gemaakt aan machtsmisbruik, er sprake was van een oneerlijk proces en omdat de schijn van partijdigheid is opgewekt.
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Nadat door een rechter een eindbeslissing is genomen is wraking niet meer mogelijk. Wraking heeft immers ten doel een rechter in een lopende zaak te vervangen en van een lopende zaak is geen sprake meer indien een eindbeslissing is genomen. Omdat ook in dit geval sprake is van een eindbeslissing is het wrakingsverzoek kennelijk niet ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
3.3.
Ten overvloede wordt nog verwezen naar de e-mail van de griffier van 23 december 2024 waaruit volgt dat een eventueel verzoek tot herziening door een andere rechter zal worden behandeld. Hieruit blijkt dat ook na indiening van een herzieningsverzoek geen sprake is van betrokkenheid van de rechter.
Dictum
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.