Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-16
ECLI:NL:RBAMS:2025:2403
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,373 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/188
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Adansar),
en
het college van burgemeester en wethouders, verweerder
(gemachtigde: mr. D.R. Rosenbaum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers bewonersparkeervergunning, omdat eiser een periode niet stond ingeschreven op het adres waarvoor de vergunning verleend is. Ook geldt voor het adres een nulplafond. Eiser is het niet eens met de intrekking. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht de bewonersparkeervergunning van eiser heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met het besluit van 16 januari 2023 is de bewonersparkeervergunning van eiser voor het adres [adres 1] stopgezet per 31 maart 2023.
2.2.
Met het besluit van 19 januari 2023 heeft verweerder besloten om de bewonersvergunning van eiser voor het adres [adres 1] per 1 april 2023 in te trekken, omdat hij niet meer staat ingeschreven op het adres waarvoor de vergunning is verleend. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarden en heeft geen recht meer op de parkeervergunning.
2.3.
Het besluit van 19 januari 2023 vervangt het besluit van 16 januari 2023, zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.4.
Met het bestreden besluit van 29 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser houder was van een bewonersvergunning voor het adres [adres 1] , gelegen in deelvergunninggebied [vergunningsgebied 1] . Gebleken is dat eiser per 10 december 2022 is verhuisd naar het adres [adres 2] , gelegen in deelvergunninggebied [vergunningsgebied 2] , en geen aanvraag heeft gedaan voor verhuizing van zijn bewonersvergunning. Ook heeft eiser zijn herinschrijving op het adres [adres 1] per 12 januari 2023 niet doorgegeven aan de gemeente. Nu eiser niet langer op het adres waarvoor de vergunning was verleend stond ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: brp), is dat een reden voor verweerder om de bewonersvergunning op grond van artikel 37, eerste lid, onder c, van de Parkeerverordening 2013 (de Parkeerverordening) in te trekken. Het is aan eiser om zijn verhuizing en herinschrijving aan de gemeente door te geven. De bewonersvergunning is immers een vergunning op aanvraag. Artikel 37, eerste lid, van de Parkeerverordening is dwingendrechtelijk geformuleerd, zodat verweerder geen beleids- of beoordelingsvrijheid heeft, en er geen ruimte is voor een belangenafweging.
2.5.
Subsidiair overweegt verweerder dat uit artikel 6, derde lid, van het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening Amsterdam 2023 (het Uitwerkingsbesluit) volgt dat er in het vergunninggebied waarin het adres [adres 1] ligt, nul bewonersvergunningen per adres kunnen worden verleend. Nu artikel 6, derde lid, van het Uitwerkingsbesluit een krachtens artikel 9, tweede lid, van de Parkeerverordening gestelde voorwaarde is en er niet (langer) wordt voldaan aan deze voorwaarde, dient de vergunning op grond van artikel 37, eerste lid, onder c van de Parkeerverordening ook om deze reden te worden ingetrokken.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Uitschrijving brp
3.1.
Eiser voert, kort samengevat, het volgende aan. Uit praktisch oogpunt heeft hij zich kort uitgeschreven van het adres [adres 1] , namelijk van 10 december 2022 tot
12 januari 2023. Hij schreef zich in die periode in op het adres [adres 2] in [wijk] . Hij heeft daar echter nooit gewoond, hij is altijd blijven wonen aan de [adres 1] . Op het moment van intrekking van zijn bewonersvergunning, 19 januari 2023, stond eiser weer ingeschreven op het adres [adres 1] (het adres). Verweerder had een belangenafweging moeten maken. Eiser is in zijn rechtszekerheid aangetast en is onevenredig benadeeld.
3.2.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 9, eerste lid, in samenhang bezien met
artikel 1, aanhef en onder k, van de Parkeerverordening volgt dat een bewonersvergunning alleen kan worden verleend als de bewoner in de brp is ingeschreven op het adres. Indien dit niet langer het geval is, trekt verweerder de bewonersvergunning in krachtens
artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser vanaf 12 januari 2023 tot heden weer op het adres [adres 1] staat ingeschreven in de brp. Ten tijde van het primaire besluit (19 januari 2023) en de beslissing op bezwaar stond eiser dus ingeschreven op dat adres en woonde hij daar ook. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij genoodzaakt was zich tijdelijk uit te schrijven. Hij had een nieuw te bouwen huis gekocht aan de [adres 2] . Uiteindelijk koos hij ervoor toch aan de [adres 1] te blijven wonen. Hij kon de woning aan de [adres 2] alleen verkopen als hij daar stond ingeschreven. Daarom heeft hij zich daar voor ruim een maand ingeschreven, en dus uitgeschreven uit de [adres 1] . Feitelijk is eiser nooit verhuisd.
3.4.
De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat verweerder bij de intrekking van een vergunning wegens het niet voldoen aan een voorwaarde geen beleids- of beoordelingsvrijheid heeft en er geen ruimte voor een belangenafweging is, omdat artikel 37, eerste lid, van de Parkeerverordening dwingendrechtelijk is geformuleerd. Uit de uitspraak van de grote kamer van het CBb van 26 maart 2024 volgt dat in een geval als dit, waarbij verweerder een gebonden besluit neemt op grond van een algemeen verbindend voorschrift (de Parkeerverordening) verweerder uiteindelijk (“onder de streep”) nog wel moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in dit geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
3.5.
De rechtbank begrijpt dat de inschrijving in de brp in principe leidend is, maar in dit geval is er sprake van bijzondere omstandigheden nu eiser ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit wel stond ingeschreven op het adres. Daarbij heeft verweerder de reden van de tijdelijke uitschrijving niet kenbaar meegewogen in het bestreden besluit. Verweerder dient te beoordelen of deze bijzondere omstandigheden maken dat het bestreden besluit voor eiser onredelijk bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, vanwege strijd met het motiveringsbeginsel.
Nulplafond
4. Er ligt ook een tweede, subsidiaire, intrekkingsgrond aan het bestreden besluit ten grondslag, namelijk het nulplafond. Verweerder meent dat de bewonersvergunning ook los van de uitschrijving uit de brp kan worden ingetrokken omdat ter plekke een nulplafond geldt.
4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat op het moment van vergunningverlening (12 maart 2018) er geen sprake was van een nulplafond. Verweerder kan niet zonder meer naar aanleiding van een beleidswijziging overgaan tot intrekking van de bewonersparkeervergunning.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het adres van eiser tijdens de vergunningverlening viel in deelvergunninggebied [vergunningsgebied 3] . Daar konden 7000 vergunningen verleend worden. Eiser heeft destijds dus terecht een vergunning gekregen. Er gold toen geen nulplafond. Vanaf 1 januari 2019 is het adres van eiser in een deelvergunninggebied terechtgekomen waar wel een nulplafond van kracht is, namelijk [vergunningsgebied 1] . Niet betwist wordt dat in het vergunninggebied een nulplafond is ingesteld en dat dit aanleiding vormt om de bewonersparkeervergunning in te trekken. Dit betekent echter nog niet dat verweerder ook in het geval van eiser zonder meer om deze reden kon overgaan tot intrekking van de vergunning.
4.3.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 februari 2024 overwogen dat verweerder bij het voorbereiden en nemen van een besluit waarbij een adres in een ander vergunninggebied komt te liggen waar een nulplafond geldt, nadrukkelijk de negatieve gevolgen daarvan voor vergunninghouders die al een vergunning hadden, moet betrekken en de afweging deugdelijk moet motiveren. De rechtbank verwijst naar de betreffende rechtsoverwegingen in die uitspraak.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het besluit waarmee indertijd het adres [adres 1] in deelvergunninggebied [vergunningsgebied 1] is komen te liggen, waar een nulplafond geldt. Niet is gebleken dat verweerder bij het voorbereiden en nemen van het besluit op grond waarvan het adres [adres 1] in een ander deelgebied kwam te liggen, de gevolgen daarvan voor vergunninghouders die al een vergunning hadden, zoals eiser, nadrukkelijk heeft betrokken en de afweging deugdelijk heeft gemotiveerd. Niet is gebleken dat de gemeente onderzoek heeft gedaan naar de eventuele gevolgen die de verplaatsing naar een deelgebied waar een nulplafond geldt voor hen zou kunnen hebben. Ook op dit punt is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.
4.5.
Verweerder dient in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook in te gaan op de totstandkoming van het besluit waarin is bepaald dat het adres [adres 1] in deelvergunninggebied [vergunningsgebied 1] komt te liggen. De rechtbank verwijst voor de manier waarop verweerder dat moet doen opnieuw naar haar uitspraak van 19 februari 2024.
Conclusie
5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen.
5.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, met name rechtsoverweging 3.5 en 4.5. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 november 2023;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025.
grifier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De commissie vindt steun voor deze opvatting in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3279.
Het College voor Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2024:190
Rechtsoverweging 8.2. van die uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2024:1111
Rechtsoverwegingen 12 en 13.1 tot en met 13.4 van die uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2024:1111