Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:2276
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,431 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-387747-24
Datum uitspraak: 27 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 10 januari 2025 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 12 november 2024 door the Leeds District Magistrates Court in het Verenigd Koninkrijk en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres]
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen: de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2025. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij alleen de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank constateert op grond van de Informatiestaat SKDB-persoon dat hij ook de Pakistaanse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het AB
In onderdeel b van het AB wordt melding gemaakt van een Warrant of Arrest dated 19 june 2018 issued at Burnley Crown Court. Ook is vermeld dat de opgeëiste persoon op 12 december 2018 is veroordeeld en dat de Burnley Crown Court op 19 december 2018 de opgeëiste persoon na te melden straf heeft opgelegd (referentie T20170069).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i),
HSO
De weigeringsgrond van artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), HSO ziet op de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de strafprocedure die heeft geleid tot het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB.
De raadsvrouw heeft zich wat betreft deze weigeringsgrond gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld – kort samengevat – dat deze weigeringsgrond niet in de weg staat aan het toestaan van de overlevering.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit het AB en de verstrekte aanvullende informatie van 17 februari 2025 volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij enkele zittingen in de procedure die tot de beslissing hebben geleid. Dit waren echter niet alle zittingen waarop de zaak inhoudelijk is behandeld. Hoe dan ook was de opgeëiste persoon dus op de hoogte van de procedure. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon in de procedure werd vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat die namens de opgeëiste persoon op alle zittingen het woord heeft gevoerd en hem daadwerkelijk heeft verdedigd. Deze uitzondering is aangekruist in het AB onder (d) en in de aanvullende informatie is nog nadere uitleg gegeven. Anders dan in het AB is daarin bovendien vermeld dat zijn advocaat op alle zittingsdagen aanwezig was. De opgeëiste persoon heeft ten tijde van zijn verhoor bevestigd dat hij zijn advocaat gemachtigd had voor hem op te treden. Gelet op het voorgaande is sprake van de omstandigheid zoals bedoeld in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), sub ii en doet de weigeringsgrond zich niet voor.
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
witwassen, meermalen gepleegd.
5Detentie-omstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)
Inleiding
De Director General of Operations, verbonden aan de HM Prison & Probation Service, heeft bij brief van 10 maart 2025 het volgende meegedeeld:
“As mentioned in my previous correspondence, it is likely that [opgeëiste persoon] will be initially held at HMP Wormwood Scrubs. In my letter of 17 February, I set out the process for determining where [opgeëiste persoon] would be placed after his initial spell at HMP Wormwood Scrubs.
I can confirm that depending on the security category which [opgeëiste persoon] is assessed as, he will likely be held in the following establishments:
Category A HMP Belmarsh
Category B HMP Swaleside
Category C HMP Onley”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in de genoemde instellingen niet aan overlevering in de weg staan.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het arrest Alchaster van 29 juli 2024 (ECLI:EU:C:2024:649) moet de rechtbank de voorzienbare situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering beoordelen. Dat veronderstelt dat de rechtbank, tegelijkertijd de regels en de praktijk in de uitvaardigende staat in het algemeen enerzijds en de specifieke kenmerken van de individuele situatie van de opgeëiste persoon anderzijds in aanmerking moet nemen.
In het licht van dit toetsingskader bestaat er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Gesteld noch gebleken is dat de omstandigheden in de detentie-instellingen HMP Wormwood Scrubs, HMP Belmarsh, HMP Swaleside en HMP Onley zodanig zijn dat sprake is van een gevaar zoals hiervoor bedoeld.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een gevaar van grondrechtenschending, zodat artikel 604, aanhef en onder c, HSO niet aan overlevering in de weg staat.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 420bis Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en artikel 606 HSO.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Leeds District Magistrates Court (Verenigd Koninkrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Westerman en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 maart 2025.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353