Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2025:2151
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,645 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3572
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (Marokko), eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Met het besluit van 1 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een WAO-uitkering afgewezen. In het bestreden besluit van 27 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die afwijzing gebleven. Eiser heeft vervolgens tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is zonder afmelding niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Eiser heeft op 3 augustus 2022 aan WAO-aanvraag gedaan.
3. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser in elk geval (mogelijk met tussenposes) vanaf een onbekende datum in 1991 tot 22 november 2000 in Nederland werkzaam was. Op laatstgenoemde datum heeft eiser zich ziekgemeld.
4. Verweerder heeft naar aanleiding van de WAO-aanvraag op 30 augustus 2022 eiser gevraagd om een zienswijze en eventuele nadere informatie. Er is daarnaast ook gevraagd om: een identiteitsbewijs, BSN-nummer, arbeidsovereenkomsten, loonspecificaties en jaaropgaven, medische rapporten van behandelingen, recepten van medicatie, beslissingen van toegekende Zw- of Ww-uitkeringen, beslissingen over eerdere toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, correspondentie met het UWV (of haar rechtsvoorgangers) over een eventuele aanvraag. Eiser heeft vervolgens wat van deze documenten toegezonden.
5. Op 9 november 2022 heeft verweerder vervolgens nadere vragen aan eiser gesteld om vast te stellen hoe de situatie rondom het recht op een (Zw-)uitkering was op 22 november 2000. Eiser heeft deze vragen op 1 december 2022 beantwoord. Op 19 januari 2024 heeft eiser vervolgens nog documenten nagestuurd ter completering van zijn dossier. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser geen antwoord geeft op de eerdere gedane informatieverzoeken. Met het bestreden besluit van 27 mei 2024 blijft verweerder bij het standpunt dat er geen beslissing kan worden genomen omdat eiser verweerder niet van de benodigde informatie heeft voorzien om zijn aanvraag in behandeling te nemen.
Standpunt eiser
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij verzekerd is geweest in Nederland. Hij is ziek en kan geen activiteiten ondernemen voor een percentage van 80-100 procent. Tevens heeft eiser geen andere inkomsten of uitkeringen en zijn de medische kosten hoger dan normaal.
Beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van de WAO-uitkering terecht buiten behandeling heeft gesteld omdat zij onvoldoende informatie heeft gekregen van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. Ingevolge artikel 4:5, vierde lid, Awb dient een besluit om een aanvraag niet te behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken aan de aanvrager te worden bekendgemaakt. De rechtbank ziet in het dossier terug dat op 30 augustus 2022 en 9 november 2022 expliciet door verweerder aan eiser is gevraagd om meer informatie. Aangezien eiser van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, diende verweerder zijn beslissing tot het buiten behandeling laten van eisers aanvraag binnen vier weken na het ongebruikt verstrijken van voormelde termijn aan eiser bekend te maken. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de brief van 9 november 2022 geen termijn heeft gesteld, terwijl artikel 4:5, vierde lid, Awb dit wel verplicht. Nu er geen termijn is gesteld kan ook niet vastgesteld worden of de beslissing tot het buiten behandeling laten van eisers aanvraag binnen de termijn van vier weken is genomen. Gelet hierop is het bestreden besluit, dat strekt tot handhaving van die beslissing, in strijd met artikel 4:5, vierde lid, Awb.
Conclusie
10. Dit leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Hoger beroep instellen kan door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Ziektewet.
Werkeloosheidswet.
Algemene wet bestuursrecht (Awb).