Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-01-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:2044
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,219 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/053620-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 21 januari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 21 januari 2025.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 24 oktober 2024 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 50.165,63.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering conform het onderliggende rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ (hierna: rapport) verlaagd naar een maximumbedrag van € 20.000,-.
De vordering ziet op wederrechtelijk voordeel, verkregen uit de handel in (vuur)wapens.
3De grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2022 veroordeeld voor het medeplegen van, zonder erkenning, onderhandelen over transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens en munitie van categorie II en categorie III, van welk feit verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt, in de periode van 24 november 2019 tot en met 24 juni 2020.
4Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen op basis van het rapport. [veroordeelde] heeft met de verkoop van wapens € 20.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel genoten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen. Primair is de vordering in strijd met artikel 6 EVRM, omdat verdachte partieel is vrijgesproken van de handel in vuurwapens. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar het arrest Geerings tegen Nederland. Subsidiair kan op basis van het rapport niet worden vastgesteld dat [veroordeelde] daadwerkelijk enig voordeel heeft genoten. Het is onduidelijk wat er is verkocht, of dit een strafbaar feit betreft, of de verkoop is doorgegaan en of er aftrekposten zijn die van invloed zijn op de berekening.
4.3.
Beoordeling
Het vonnis, dat dient als grondslag voor de vordering, roept vragen op bij de rechtbank . Uit de bewezenverklaring volgt dat [veroordeelde] is veroordeeld voor het – kort weergegeven – meermalen, samen met anderen, onderhandelen over de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens en munitie. Van het in de tenlastelegging opgenomen medeplegen van verhandelen van vuurwapens en munitie is hij vrijgesproken. In de bewijsoverweging wordt overwogen dat [veroordeelde] bereid was wapens te verkopen, omdat hij de wapens aanbood, onderhandelde over de prijs en de levering. Voorts overweegt de rechtbank in het vonnis dat niet kan worden vastgesteld wat de inkomsten van de wapenhandel zijn geweest. Het voorgaande geeft niet ondubbelzinnig weer dat [veroordeelde] is veroordeeld voor de handel in, en dus verkoop van, vuurwapens. Dat maakt dat er valt te twisten of de vordering van de officier van justitie binnen het bereik van de bewezenverklaring valt, of dat zich de situatie voordoet dat [veroordeelde] is vrijgesproken van het feit waarop de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gestoeld. De rechtbank geeft, in het licht van deze mogelijke uitleg van het onderliggende vonnis, [veroordeelde] het voordeel van de twijfel en zal de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. B. Kuppens en R.S.T. Gaarthuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2025.