Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2025:2038
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,315 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/7354, AMS 24/3500 en AMS 24/4748
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de drie beroepen van eiser tegen:
het niet toekennen van een kostenvergoeding in de bezwaarprocedure over een verzoek om bekorting van een loonsanctie (zaaknummer AMS 23/7354 – procedure I).
het niet toekennen van een kostenvergoeding in de bezwaarprocedure over een uitkering op grond van de Wet WIA (zaaknummer AMS 24/3500 – procedure II); en
- de afwijzing van zijn afzonderlijke verzoek om een kostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar over de uitkering op grond van de Wet WIA (zaaknummer AMS 24/4748 – procedure III).
2. Het Uwv heeft aan eiser niet de kosten vergoed die hij - als belanghebbende - in verband met de behandeling van de bezwaren van zijn werkgever heeft gemaakt. Eiser is van mening dat hij wel aanspraak maakt op kosten in bezwaar en heeft driemaal beroep ingesteld.
3. De rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of eiser als belanghebbende terecht geen kostenvergoeding in bezwaar heeft gekregen. Dit doet zij per zaak, aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep in zaak AMS 23/7354 gegrond is, dat het beroep in zaak AMS 24/3500 niet-ontvankelijk is en dat het beroep in zaak AMS 24/4748 ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inzake AMS 23/7354
Feiten
6. Eiser was werkzaam voor [bedrijf] ( [bedrijf] ), maar is op enig moment ziek uitgevallen en kwam daardoor in de Ziektewet. Het Uwv heeft daarna aan [bedrijf] een loonsanctie opgelegd vanwege tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen. [bedrijf] heeft het Uwv gevraagd deze loonsanctie te bekorten. Op 24 mei 2023 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen (het primaire besluit I). [bedrijf] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft zelf geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I, maar is in de procedure betrokken als belanghebbende. Eiser heeft het Uwv op 29 november 2023 verzocht om een vergoeding voor de kosten van professionele rechtsbijstand in bezwaar.
7. Op 13 december 2023 heeft het Uwv het bezwaar van [bedrijf] ongegrond verklaard en de loonsanctie niet bekort (het bestreden besluit I). Het Uwv heeft in dat besluit niets opgenomen over een vergoeding van kosten in bezwaar aan [bedrijf] dan wel aan eiser.
Vergoeding kosten in bezwaar
8. Volgens eiser heeft hij recht op vergoeding van de kosten in bezwaar. Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep telefonisch heeft aangegeven dat het bekortingsverzoek in bezwaar zou worden herzien. Eiser was om die reden genoodzaakt om de hoorzitting bij te wonen en zich te laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener.
9. In de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 december 2023 staat over de hoorzitting onder andere: ‘Allereerst geeft de gemachtigde aan dat hij in het verslag van de hoorzitting opgenomen wenst te zien dat ondergetekende in het telefoongesprek van 14 november 2023 heeft aangegeven dat zij het voornemen had om het bekortingsverzoek te honoreren. Hierdoor zag hij zich alsnog genoodzaakt om een verzoek voor een hoorzitting in te dienen.’ Volgens eiser wordt hiermee bevestigd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voornemens was om het bekortingsverzoek te honoreren. Volgens eiser is het toekennen van een tegemoetkoming voor de kosten in bezwaar redelijk, omdat eiser belang had bij het bezwaar en zijn inbreng geacht wordt te hebben bijgedragen aan de uitkomst.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende “voorzover het bestreden besluit wordt herroepen” wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit geval is het bestreden besluit niet herroepen, maar in stand gebleven. Voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar bestaat dan ook geen wettelijke grondslag.
11. Op de zitting heeft het Uwv toegelicht dat ook het buitenwettelijke begunstigend beleid van het Uwv in dit geval niet van toepassing is. Dit beleid houdt kortgezegd in dat het Uwv in gevallen waarin er mogelijk een negatief besluit voor de belanghebbende volgt, een voorgenomen besluit aan de belanghebbende wordt gestuurd, de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld daarop schriftelijk te reageren en de belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten voor het inschakelen van professionele rechtsbijstand.
12. Van een toegezonden voorgenomen negatief besluit aan eiser is echter geen sprake geweest. De rechtbank wijst het verzoek dat eiser ter zitting heeft gedaan, om de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (mevrouw [naam] ) op te roepen als getuige en onder ede te horen, dan ook af. Nu niet is gebleken van een schriftelijk besluit tot wijziging van de primaire beslissing, is de vraag of de arbeidsdeskundige telefonisch heeft aangegeven dat zij op dat moment het voornemen had om het bekortingsverzoek te honoreren niet van belang. De wet biedt in dit geval geen grondslag voor het vergoeden van de kosten en het buitenwettelijke begunstigend beleid dat het Uwv voert ziet ook niet op een dergelijke situatie.
Motivering
13. Eiser heeft erop gewezen dat hij in zijn brief van 29 november 2023 heeft verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, maar dat in het bestreden besluit I niet wordt gemotiveerd dat dat verzoek wordt afgewezen.
14. Deze beroepsgrond slaagt. Het Uwv heeft in het bestreden besluit I geen beslissing genomen over de in bezwaar gemaakte kosten. Het Uwv heeft ook niet in een ander, afzonderlijk, besluit een beslissing genomen op het verzoek van eiser. Pas in het verweerschrift en tijdens de zitting is door het Uwv toegelicht dat de kosten niet zijn vergoed omdat het primaire besluit I niet is herroepen. Tijdens de zitting heeft het Uwv erkend dat er sprake is van een motiveringsgesprek in het bestreden besluit I. De rechtbank zal het bestreden besluit I om die reden vernietigen.
Schadeloosstelling
15. Eiser heeft verzocht om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Aangezien het beroep niet tot een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten leidt, wordt dit verzoek afgewezen.
Inzake AMS 24/3500
Feiten
16. Aan eiser is op 6 oktober 2023 een WIA-uitkering toegekend (het primaire besluit II). [bedrijf] heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van de WIA-uitkering. Eiser heeft zelf geen bezwaar gemaakt, maar is als belanghebbende betrokken in de bezwaarprocedure. Op 29 november 2023 heeft eiser een brief gestuurd aan het Uwv, waarin onder andere wordt verzocht om een vergoeding voor de kosten in bezwaar. Op 29 december 2023 heeft het Uwv in een afzonderlijk besluit aan eiser laten weten dat er geen kosten van rechtsbijstand worden vergoed, omdat eiser zelf geen bezwaar heeft gemaakt (het primaire besluit III, zie hierna ook onder overweging 19 en verder).
17. Op 30 mei 2024 heeft het Uwv het bezwaar van [bedrijf] tegen de toekenning van de WIA-uitkering gegrond verklaard en de WIA-uitkering van een loongerelateerde WGA-uitkering gewijzigd in een IVA-uitkering. Het Uwv heeft daarbij een vergoeding van de kosten in bezwaar aan [bedrijf] toegekend, maar niets gezegd over een kostenvergoeding in bezwaar aan eiser (het bestreden besluit II).
Ontvankelijkheid
18. Eiser stelt dat niet [bedrijf] , maar eiser recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar. Op het moment dat het Uwv het bestreden besluit II nam, had het Uwv echter al het besluit genomen dat eiser geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar zou ontvangen (het primaire besluit III). Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld (zie hierna bij de beoordeling van het beroep in de zaak AMS 24/4748). Ook in dat beroep stelt eiser dat hij recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar tegen het primaire besluit II. Het procesbelang in de onderhavige procedure ontbreekt daarom en de rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Inzake AMS 24/4748
Feiten
19. Naar aanleiding van het verzoek van eiser van 29 november 2023 om een kostenvergoeding in bezwaar, heeft het Uwv op 29 december 2023 aan eiser laten weten dat er geen kosten van rechtsbijstand worden vergoed, omdat eiser zelf geen bezwaar heeft gemaakt (het primaire besluit III, ook genoemd in overweging 16).
20. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit III. Op 8 augustus 2024 heeft het Uwv besloten om de afwijzing van het verzoek in stand te laten (het bestreden besluit III).
Vergoeding kosten in bezwaar
21. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand onterecht is afgewezen. [bedrijf] heeft weliswaar als enige bezwaar gemaakt tegen de toekenning van de WIA-uitkering (het primaire besluit II), maar eiser heeft zich in de bezwaarfase moeten verweren. [bedrijf] heeft zich in haar bezwaar niet alleen op het standpunt gesteld dat de WGA-uitkering zou moeten worden gewijzigd in een IVA-uitkering, maar ook dat er geen relevante mate van arbeidsongeschiktheid was en daarbij de gehele FML ter discussie gesteld. Volgens eiser heeft [bedrijf] bezwaar gemaakt om verlost te worden van de kosten die een WIA-uitkering voor een werkgever heeft. Het zou in strijd zijn met een fair trial en het fair play beginsel, als eiser zich zonder adequate ondersteuning zou moeten verweren. De juridische bijstand was noodzakelijk en redelijk. Materieel is sprake geweest van het maken van bezwaar, omdat eiser zijn recht op een uitkering moest verdedigen.
22. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 7:15, tweede lid, volgt dat een belanghebbende aanspraak kan maken op een vergoeding voor de in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs gemaakte kosten. Dit artikel ziet dus niet uitsluitend op de indiener van een bezwaarschrift, maar ook op andere belanghebbenden die kosten hebben gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar. Die kosten moeten dan wel noodzakelijk zijn.
23. [bedrijf] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit II en in haar bezwaar verzocht om de WGA-uitkering te wijzigen in een IVA-uitkering. Dat bezwaar is gegrond verklaard en de uitkering is gewijzigd. Eiser zelf heeft geen bezwaar gemaakt. Eiser is terecht als belanghebbende bij de procedure betrokken en het stond hem daarom uiteraard vrij om op het bezwaar van [bedrijf] te reageren en daarbij juridische bijstand in te schakelen. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand noodzakelijk waren en daarom voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het bezwaarschrift van [bedrijf] volgt dat [bedrijf] met het bezwaar wilde bereiken dat het Uwv de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van eiser zou beoordelen, omdat eiser volgens [bedrijf] in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Dat [bedrijf] met het bezwaar wilde bereiken dat er geen WIA-uitkering aan eiser zou worden toegekend, waartegen eiser zich zou moeten verweren, volgt niet uit het bezwaarschrift. Reeds daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
24. Het buitenwettelijke begunstigend beleid waar eiser ter zitting op heeft gewezen (zie de weergave van het beleid in overweging 11) is ook in dit geval niet van toepassing. Er is immers geen voorgenomen negatief besluit aan eiser gestuurd. Zowel op grond van de wet als op grond van het buitenwettelijke begunstigend beleid, was het Uwv dus niet gehouden aan eiser een kostenvergoeding in bezwaar toe te kennen.
Schadeloosstelling
25. Eiser heeft verzocht om een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen. Aangezien het beroep niet tot een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten leidt, wordt dit verzoek afgewezen.
Conclusie
Inzake AMS 23/7354
26. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit I is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom bestreden het bestreden besluit I voor zover daarin geen beslissing is genomen over de door eiser in bezwaar gemaakte kosten.
27. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiser geen aanspraak maakt op een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, omdat het primaire besluit I niet is herroepen.
28. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Inzake AMS 24/3500
29. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit II dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
Inzake AMS 24/4748
30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit III in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
Dictum
Inzake AMS 23/7354
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit I van 13 december 2023 voor zover daarin geen beslissing is genomen over de door eiser in bezwaar gemaakte kosten;
bepaalt dat eiser geen aanspraak maakt op een vergoeding van de kosten in bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit I;
bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Inzake AMS 24/3500
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Inzake AMS 24/4748
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten.
Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten.
Functionele Mogelijkheden Lijst.