Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:2002
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,529 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/6562 en 24/1169
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
De rechtbank heeft [belanghebbende] ., gevestigd te Amsterdam als belanghebbende in deze zaak aangemerkt. [belanghebbende] . heeft te kennen gegeven uitsluitend een kopie van de uitspraak te willen ontvangen.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank een tweetal beroepen van eiser tegen twee besluiten van verweerder over het recht op kinderbijslag voor zijn (stief)dochter [naam] .
De rechtbank heeft de beroepen samen met de zaak AMS 24/920 behandeld op een digitale zitting van 23 januari 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door mr. H.J.J. Hendrikse. H.J.J. Hendrikse vertegenwoordigt eiser alleen in de zaak AMS 24/920. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat de gemachtigde van eiser onvoldoende tijd had om de zaak voor te bereiden. Afgesproken is om de zaken op de zitting op 13 februari 2025 verder te behandelen
De rechtbank heeft op 13 februari 2025 de behandeling door middel van een digitale verbinding voortgezet. Eiser was aanwezig, bijgestaan door mr. H.J.J. Hendrikse. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De totstandkoming van de besluiten
1. Eiser is de stiefvader van [naam] , zij is geboren op [geboortedatum] 2005. De biologische vader van [naam] is niet in beeld. Samen met de moeder van [naam] is eiser betrokken bij haar opvoeding. [naam] heeft eerst bij haar moeder gewoond. Met toestemming van de moeder heeft eiser [naam] in 2013 erkend. Vanaf 2013 heeft [naam] alleen bij eiser gewoond. In deze periode heeft eiser ook kinderbijslag ontvangen.
2. Bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn gedurende een lange periode grote zorgen ontstaan over de opvoedingsomgeving van [naam] . In 2020 is de situatie tussen [naam] en haar stiefvader volgens de Raad voor de Kinderbescherming geëscaleerd. Met een spoedbeschikking van de kinderrechter van 24 juli 2020 is daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam] verleend. [naam] is daarbij eerst opgevangen door haar grootouders (van eiserszijde). Hierna is ook de aan eiser toegekende kinderbijslag beëindigd.
3. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan verschillende besluiten genomen waarbij de kinderbijslag over [naam] vanaf 2020 aan verschillende personen is toegekend. De kinderbijslag is vanaf het tweede kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2023 opnieuw aan eiser toegekend, maar verweerder heeft deze toekenning herzien. Eiser is het hier niet mee eens en vindt dat hij recht heeft op de kinderbijslag voor de gehele periode vanaf 2020, omdat [naam] volgens hem altijd bij hem heeft gewoond. Eiser heeft daarom tegen meerdere besluiten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de twee overgebleven beroepen van eiser. De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het geding zich beperkt tot deze twee bestreden besluiten. Voor zover eiser heeft verzocht om informatie over het strafblad van de moeder van [naam] en informatie over een ‘geheim onderzoek’ valt dit buiten deze procedure. De rechtbank zal zich dus ook niet uitlaten over alle andere onderwerpen en geschillen met ander instanties waar eiser aan refereert.
AMS 24/920
5. Ter verduidelijking voor partijen stelt de rechtbank het volgende vast. De rechtbank heeft aan partijen de gelegenheid gegeven om na de zitting te bekijken of – vanwege de vragen die de rechtbank in deze procedure heeft – onderling een schikking kan worden getroffen. Verweerder heeft vervolgens aangeboden de te veel betaalde kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2022 tot en met het eerste kwartaal van 2023 van in totaal € 1.427,25 niet meer terug te vorderen. Voor het tweede kwartaal van 2023 dient eiser zich volgens het schikkingsvoorstel erin te berusten dat hij geen kinderbijslag uitbetaald krijgt. Eiser heeft de rechtbank en verweerder laten weten dat hij na ampele overweging akkoord gaat met dit schikkingsvoorstel. Hierna heeft eiser dit beroep ingetrokken.
AMS 23/6562 en AMS 24/1169
6. De beroepen in de zaken AMS 23/6562 en AMS 24/1169 heeft eiser niet ingetrokken. De rechtbank beoordeelt daarom – zoals ook op de zitting is besproken – in deze zaken de overgebleven beroepen van eiser. Eiser heeft op 16 november 2023 een beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit beroepschrift eiser gevraagd om het besluit op te sturen waarmee hij het niet eens is. Eiser heeft vervolgens twee besluiten overgelegd waarmee hij het niet eens is. Het beroep in de zaak AMS 23/6562 richt zich tegen het besluit van verweerder van 15 december 2022. In deze beslissing heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een opgelegde betalingsregeling voor de ten onrechte verkregen kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 2020 ongegrond verklaard. Het beroep met zaaknummer AMS 24/1169 richt zich tegen het besluit van verweerder van 13 juli 2021. Met dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de herziening van het recht op kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 2020 ongegrond verklaard.
7. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van eiser niet-ontvankelijk zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. De rechtbank overweegt dat eiser niet tijdig een beroepschrift heeft ingediend. Iemand die het niet eens is met een besluit moet op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken een beroepschrift indienen. Eiser heeft in beide zaken meer dan een jaar na de wettelijke termijn een beroepschrift ingediend. Dit is ruim te laat. Met de brief van 27 september 2024 heeft de rechtbank eiser gevraagd om de reden waarom hij niet tijdig een beroepschrift heeft ingediend. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat hij niet in staat was om binnen die zes weken beroep in te stellen. De termijnoverschrijding kan dan ook niet verschoonbaar worden geacht. De beroepen zijn alleen om deze reden al niet-ontvankelijk.
9. Aanvullend overweegt de rechtbank dat de beroepen ook niet-ontvankelijk zijn, omdat eiser het griffierecht niet heeft betaald. Eiser voldoet niet aan de criteria van betalingsonmacht. Uit de door eiser ingediende financiële stukken blijkt namelijk niet dat hij een inkomen verkrijgt dat lager is dan 95% van de maximale bijstandsuitkering. Daarnaast blijkt uit de door eiser ingediende bankafschriften evenmin dat hij onmogelijk het verschuldigde griffierecht kan betalen. Dat in een andere procedure een verzoek om betalingsonmacht wel is gehonoreerd, maakt het voorgaande niet anders. De beroepen zijn ook daarom niet-ontvankelijk.
10. Voorts wijst de rechtbank eiser erop dat hij eerder beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 13 juli 2021. Recentelijk heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het herzieningsverzoek van eiser tegen de uitspraak op het recht op kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 2020. Ook om die reden kan de rechtbank de zaak met zaaknummer AMS 24/1169 niet inhoudelijk behandelen, omdat eiser niet opnieuw in beroep kan gaan tegen hetzelfde besluit.
11. Verweerder heeft na de zitting een schikkingsvoorstel gedaan waarin wordt afgezien van terugvordering van de kinderbijslag over het kwartaal 2020. Het (proces)belang wat eiser heeft in de zaak AMS 23/6562 is daarmee komen te vervallen. Eiser heeft namelijk geen belang meer bij een oordeel over de terugbetalingsregeling voor het kwartaal 2020 nu er geen terugvordering meer is over dit kwartaal. Ook om die reden is het beroep niet-ontvankelijk.
12. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van eiser om meerdere redenen niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen komt de rechtbank daardoor niet toe.
Conclusie
13. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding. Nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af.Verder heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden door dit besluit.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid vanmr.N.J.A. van Eck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1268.
Op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht.