Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1863
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,287 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/6223
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. B.B. van Vliet),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. H.D. Hosper).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel: [bedrijf] (vergunninghouder) en [naam] (eigenaar) te Amsterdam
(gemachtigde: mr. A.I. Tsheichvili).
Inleiding
Met een besluit van 15 augustus 2018 heeft verweerder vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor werkzaamheden op het perceel [adres 1] in Amsterdam. Eisers hebben verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning.
Met het besluit van 30 juni 2020 heeft verweerder het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning afgewezen.
Met het bestreden besluit van 17 november 2021 op het bezwaar van eisers is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en zijn kantoorgenoot mr. N.M. Dik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Beoordeling
Wat aan deze procedure voorafging
1. Op 15 augustus 2018 heeft verweerder vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakkapel in het rechterzijdakvlak, het plaatsen van PV-panelen in het rechterzijdakvlak, het wijzigen van de achtergevel, het plaatsen van Stalker MonuSafe glas in de kozijnen aan de voor- en zijgevel en het verbouwen en bouwkundig samenvoegen van de verdiepingen van het gebouw [adres 1] met de bestemming daarvan tot twee woningen. Tegen dit besluit is geen bezwaarschrift ingediend. De omgevingsvergunning is daarmee onherroepelijk geworden.
2. De architect van het project heeft op 20 december 2019, namens de eigenaar, gemeld aan verweerder dat de bouwwerkzaamheden voltooid zijn.
3. Eisers wonen op de [adres 2] . Hun woning grenst aan de rechterzijde aan de achtergevel van het perceel [adres 1] .
4. Op 25 mei 2020 hebben eisers verweerder verzocht om de omgevingsvergunning van 15 augustus 2018 in te trekken.
5. Met het besluit van 30 juni 2020 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
6. Vervolgens zijn partijen onder begeleiding van een mediator met elkaar in overleg getreden om tot een definitieve afronding van hun geschil, dat meer omvat dan alleen het besluit dat in deze zaak voorligt, te komen. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.
7. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. In het advies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, concludeert de bezwaarschriftencommissie dat niet aan de voorwaarden voor intrekking in artikel 5:19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is voldaan.
Overwegingen
8. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat zowel de aanvraag, als de besluitvorming dateert van vóór die datum, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
9. Voorop staat dat de rechtbank in deze zaak alleen kan beoordelen of verweerder heeft mogen besluiten de omgevingsvergunning niet in te trekken. De rechtbank beoordeelt dus niet of verweerder de omgevingsvergunning destijds heeft kunnen verlenen.
10. Op grond van artikel 5.19 van de Wabo kan het bestuursorgaan dat bevoegd is de vergunning te verlenen, deze intrekken als a) de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend, b) niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld, c) de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd, of d) de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.
11. Intrekking van een verleende omgevingsvergunning is in voornoemde gevallen geen verplichting, maar een bevoegdheid van verweerder. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt verweerder beleidsruimte toe. Dit heeft tot gevolg dat de rechter terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van deze bevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Bij de afweging die verweerder moet maken is ook van belang dat de intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 5.19 van de Wabo door de wetgever is bedoeld als sanctie.
12. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder van zijn bevoegdheid tot intrekking op grond van artikel 5.19 van de Wabo gebruik had moeten maken, omdat de intrekkingsgronden van sub a (onjuiste of onvolledige opgave) en sub d (regels niet nageleefd) zich voordoen.
Onjuiste of onvolledige opgave
11. Eisers voeren in dit verband aan dat de vergroting van het bestaande raam in de achtergevel tot Frans balkon vergund is als gevolg van een onjuiste en onvolledige opgave. Deze onvolledige opgave bestaat er volgens eisers uit dat vergunninghouder geen tekeningen en foto’s van belendingen heeft overgelegd bij de aanvraag, waaruit blijkt dat de gevel waarin zich het desbetreffende raam bevindt, deel uitmaakt van een (gemeenschappelijke) muur op de erfgrens die direct grenst aan en uitzicht geeft op het dakterras van eisers. Daarmee is verhuld dat de locatie van het raam in strijd is met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek en dat dus sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Dit terwijl de Regeling Omgevingsrecht (Mor) wel voorschrijft dat dergelijke tekeningen en foto’s, waaruit blijkt hoe de achtergevel van [adres 1] zich verhoudt tot de woning van eisers, verstrekt moeten worden.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanwijzingen zijn dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) zich op onjuiste gegevens heeft gebaseerd. Daar komt bij dat de CRK ook onafhankelijke beelden en gegevens uit openbare bronnen (bijvoorbeeld de beeldbank) kan raadplegen. Dat er een raam in de achtergevel zat, was dus bekend. Voor zover de overgelegde gegevens en bescheiden onduidelijk waren, hadden de behandelaars van de vergunning, de CRK en stedenbouwkundigen aanvullende gegevens op kunnen vragen, maar dit is niet nodig gebleken. Of het Frans balkon de erfgrens overschrijdt – en dus of de aanvraag ontvankelijk is – kan volgens verweerder niet aan de orde komen in deze procedure en is ook niet gebleken. Verweerder merkt daarbij nog op dat eisers hierover geen procedure bij de civiele rechter hebben aangespannen.
13. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor intrekking van een omgevingsvergunning wegens onjuiste of onvolledige opgave, als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, noodzakelijk dat vast staat dat de omgevingsvergunning wegens onjuistheid in de overgelegde gegevens is verleend.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat geen sprake is van vergunningverlening ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave. Bij de aanvraag zijn bouwtekeningen verstrekt waaruit blijkt dat het Frans balkon een hekje heeft dat langs de buitengevel loopt. Op de tekeningen is ook te zien dat het Frans balkon voor de gevel uitsteekt. Verweerder heeft de perceelsgrenzen kunnen vaststellen. Naast de bij de aanvraag aangeleverde stukken, heeft verweerder toegang tot kadastrale gegevens en andere openbare informatie die ziet op de perceelsgrenzen. Anders dan eisers menen mag verweerder bij de beoordeling van een omgevingsvergunning gebruik maken van dergelijke openbare bronnen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onvolledige opgave, als gevolg waarvan verweerder niet heeft kunnen beoordelen of sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat de omgevingsvergunning wegens onvolledigheid of onjuistheid van de bij de aanvraag overgelegde gegevens is verleend. Dat eisers het niet eens zijn met de inhoudelijke beoordeling van verweerder van de aanvraag om een omgevingsvergunning, en menen dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die daaraan in de weg stond, hadden eisers kunnen aanvoeren in een bezwaar- en eventuele beroepsprocedure tegen de omgevingsvergunning. In deze procedure kan hierover geen inhoudelijk oordeel (meer) worden gegeven.
Regels niet nageleefd
15. Eisers voeren aan dat vergunninghouder in afwijking van de omgevingsvergunning en het Bouwbesluit heeft gebouwd. Dit terwijl het pand een beschermingswaardig rijksmonument is. Zo zijn de dakkapel en het dakraam van details voorzien die eerder niet bestonden, zijn de houten vloeren onvergund verwijderd, zijn de trappen vervangen, is de kleur van de pui veranderd, is in strijd met het Beleidskader voor monumenten PUR-schuim gebruikt, zijn de houten balken gewijzigd, is de raveling op de eerste verdieping niet vergund en zijn ook na de laatste beoordeling van de CRK nog wijzigingen aangebracht. Daarnaast heeft vergunninghouder zich niet aan de vergunningvoorschriften gehouden door de constructieve gegevens niet drie weken voor aanvang van de werkzaamheden te presenteren, geen melding van de aanvang van de werkzaamheden te doen en geen sloopmelding te doen. Ook de melding dat de werkzaamheden klaar waren werd niet door vergunninghouder zelf gedaan, maar door de architect, en niet binnen één dag na afronding van de werkzaamheden. Verder gaat het inspectierapport ten behoeve van de afschouw uit van een verkeerde datum van de start van de werkzaamheden. Volgens eisers is daarom de intrekkingsgrond van artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo, aan de orde.
16. Volgens verweerder heeft vergunninghouder het bouwplan in overeenstemming met de omgevingsvergunning gebouwd. Dit is vastgesteld door de behandelende buitendienst ambtenaar (inspecteur). Volgens verweerder hebben eisers niet bewezen dat op dit punt sprake is van overtredingen die reden kunnen zijn om de omgevingsvergunning in te trekken.
17. De rechtbank overweegt dat in de overtredingen die eisers noemen een onderscheid gemaakt kan worden tussen gestelde overtredingen van procedureregels (zoals het doen van de juiste meldingen op het juiste moment) en vermeend onjuist, want in strijd met de verleende vergunning (waaronder het naleven van het Bouwbesluit), uitgevoerde bouwwerkzaamheden.
18. De rechtbank is van oordeel dat het eventueel niet naleven van procedureregels door de vergunninghouder/eigenaar eisers in deze procedure niet kan baten. De werkzaamheden zijn uitgevoerd en het gaat te ver om vanwege het niet (tijdig) doen van dergelijke meldingen in het kader van de uitvoering de omgevingsvergunning in te trekken.
Conclusie
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, mr. T.L. Fernig – Rocour en mr. S.D. Arnold, leden, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69.
Artikel 2.3, sub d, en artikel 3.2 van de Mor.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1156.