Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2025:1843
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4684
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E. Wolter),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering per 7 november 2022 afgewezen.
Bij besluit van 3 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2025. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar partner, haar begeleider [naam] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres is voor het laatst werkzaam geweest als schoonmaakster voor ongeveer 26,18 uur per week. Op 30 november 2018 heeft zij voor het laatst gewerkt. Vervolgens is aan haar een Werkloosheidswet-uitkering toegekend. Eiseres heeft zich op 9 november 2020 ziek gemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft zij op 7 december 2022 een WIA-uitkering aangevraagd.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres per 7 november 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft aan dit besluit het rapport van een arts van19 september 2023 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 11 oktober 2023 ten grondslag gelegd. De beperkingen van eiseres zijn door de arts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 september 2023. De arbeidsdeskundige heeft eiseres voor 20,96% arbeidsongeschikt geacht.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juni 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 juli 2024 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geduid, omdat de eerder geduide functies niet actueel waren. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd vastgesteld op 26,89%.
Beoordeling
4. Op de zitting is besproken dat de (medische) situatie van eiseres intussen is verslechterd. Eiseres heeft aangegeven dat zij ermee bekend is dat deze (nieuwe) omstandigheden geen invloed hebben op deze procedure, maar dat zij wel een nieuw verzoek bij verweerder zal indienen.
5. De rechtbank beoordeelt in dit geschil de vraag of verweerder op goede gronden eiseres per 7 november 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij voor 26,89% arbeidsongeschikt is.
6. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.
De medische grondslag van het bestreden besluit
7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Eiseres is door de primaire verzekeringsarts op het fysieke spreekuur van 18 september 2023 lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts heeft de medische informatie van onder meer de behandelend psycholoog bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook het dossier van eiseres bestudeerd. Na afloop van de hoorzitting van 17 juni 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alle medische diagnoses in het onderzoek heeft betrokken of andere informatie heeft gemist, die betrekking heeft op de datum in geding, 7 november 2022.
8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij psychisch meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts blijkens de FML van 20 september 2023 beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van onder meer werkzaamheden met een hoog handelingstempo en werkzaamheden met productiepieken en deadlines. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het vasthouden van aandacht en concentratie, is er voor die stelling geen grond. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit het dagverhaal van eiseres blijkt dat zij een uur tv kan kijken en vijf keer per dag in ieder geval 30 minuten kan bidden. Zij kookt en breit soms. Dit zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep allemaal activiteiten waarbij eiseres de aandacht zou moeten kunnen vasthouden en verdelen. Verder kon zij zich tijdens het primaire onderzoek 60 minuten lang goed concentreren op het gesprek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mede gelet hierop geen aanvullende beperkingen aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en acht de motivering waarom geen aanvullende beperkingen zijn aangenomen te volgen.
9. Eiseres heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen verdergaande lichamelijke beperkingen heeft aangenomen. In het bijzonder vindt eiseres dat er verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen voor onder meer tillen, dragen, lopen en staan. De rechtbank stelt vast dat uit de FML blijkt dat de verzekeringsarts beperkingen heeft aangenomen voor lopen (tijdens het werk), tillen (tijdens het werk) en dragen (tijdens het werk). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat eiseres veel verschillende pijnklachten ervaart, waarvoor geen duidelijke oorzaak gevonden wordt, behoudens lichte artrose van de linkerknie. Voor de artrose van de knie zijn beperkingen aangenomen om zware kniebelasting te vermijden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de primaire arts daarmee voldoende rekening gehouden met de lichamelijke klachten van eiseres. De rechtbank kan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Eiseres heeft niet met medisch objectieve en verifieerbare informatie nader onderbouwd dat haar lichamelijke klachten meer beperkingen opleveren dan is aangenomen.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook voldoende gemotiveerd waarom geen verdergaande urenbeperking is aangenomen. Er zijn drie indicatiegebieden op grond waarvan de duurbelastbaarheid beperkt kan worden, te weten preventieve redenen, een verminderde beschikbaarheid of een stoornis in de energiehuishouding. Eiseres voldoet aan geen van deze criteria. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat eiseres tijdens het spreekuur in de bezwaarprocedure niet vermoeid oogt. Zij wordt wel emotioneel als het gaat over haar zoons. Dat wordt ook door de primaire arts beschreven. Daarvoor is ook een beperking opgesteld in emotionele problemen hanteren, maar geeft geen reden om een urenbeperking aan te nemen. De rechtbank acht de motivering van de verzekeringsartsen voldoende. Eiseres heeft geen medische stukken ingediend waaruit blijkt dat zij bijvoorbeeld overdag behoefte heeft aan tijd om te recupereren waar rekening mee moet worden gehouden. De enkele stelling dat eiseres nooit eerder 40 uur heeft gewerkt, geeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
11. De rechtbank heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank ziet om die reden dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen zoals ter zitting is verzocht.
De arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit
12. Eiseres voert aan dat de arbeidsdeskundigen van verweerder ten onrechte van opleidingsniveau 2 zijn uitgegaan bij de selectie van de functies uit het CBBS. Volgens eiseres bestaat er een grote afstand tussen haar en de arbeidsmarkt, enerzijds vanwege haar psychische en fysieke beperkingen maar ook vanwege haar zeer eenzijdige werkervaring, het ontbreken van opleiding, zeer matige beheersing van de Nederlands taal en de nog altijd aanwezige psychosociale problematiek. Desalniettemin wordt er gesteld dat eiseres, omdat zij ooit basisonderwijs heeft voltooid, voldoet aan de opleidingseis voor niveau 2. Eiseres is het hier niet mee eens, want zij heeft weliswaar meer dan 35 jaar geleden basisonderwijs gevolgd in Turkije maar dat kan bezwaarlijk gelijkgesteld worden met het niveau van het basisonderwijs waar het CBBS van uitgaat. Eiseres meent dat opleidingsniveau 1 bij de functieduiding van toepassing dient te zijn.
13. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat opleidingsniveau 2 veronderstelt dat een betrokkene basisonderwijs heeft voltooid, eventueel aangevuld met meerdere jaren vervolgonderwijs zonder diploma. Daarbij is het niet relevant of het onderwijs in Nederland of in het buitenland is gevolgd. Zoals de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht, heeft eiseres in Turkije het basisonderwijs afgerond. Zij voldoet hiermee aan opleidingsniveau 2. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de inzichtelijke arbeidsdeskundige onderbouwing bij de selectie van de functies aan de hand van alle beschikbare medische informatie, voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiseres in de FML van20 september 2023 niet overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat alleen functies zijn geselecteerd waarin uitgegaan is van maximaal afgerond basisonderwijs. De geduide functies zijn alle eenvoudige productiematige werkzaamheden waarbij geen groot beroep wordt gedaan op de lees- en uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering per 7 november 2022 afgewezen, omdat zij voor 26,89% arbeidsongeschikt is.
16. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst ook geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.N.J.A. van Eck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:61.