Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:1623
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,138 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5093
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 7 september 2024 heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2024. In die uitspraak heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen om binnen zes weken een nieuwe uitspraak op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van die uitspraak. Eiser stelt beroep in omdat de heffingsambtenaar hier niet aan heeft voldaan.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De heffingsambtenaar heeft op 15 september 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser opgelegd. Het bezwaar daartegen is door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak op bezwaar van 2 november 2021 heeft eiser beroep ingesteld. Met de uitspraak van 21 mei 2024 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van 2 november 2021 vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op het bezwaar te nemen binnen zes weken na verzending van die uitspaak. Een afschrift van de uitspraak is op 13 juni 2024 aan partijen verzonden. Eiser is op 7 september 2024 opnieuw in beroep gegaan omdat de heffingsambtenaar nog geen nieuwe uitspraak op bezwaar bekend heeft gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat de in de uitspraak van 21 mei 2024 gegeven termijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser na die termijn in beroep is gegaan bij de rechtbank.
5. Eiser heeft de heffingsambtenaar niet in gebreke gesteld voordat hij beroep instelde. Bij het verstrijken van een wettelijke termijn is in beginsel een ingebrekestelling vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit voor de eerste keer beroep wordt ingesteld. Een ingebrekestelling is echter niet nodig als de bestuursrechter in een rechterlijke uitspraak een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daar niet aan houdt. Dit betekent dat voor het beroep van eiser geen ingebrekestelling is vereist.
6. Het beroep is dus gegrond.
7. Omdat de heffingsambtenaar nog geen nieuw besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen.
8. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan de rechtbank een beslistermijn opleggen die langer is dan twee weken.
9. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. Om deze reden stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere beslistermijn oplegt. De rechtbank bepaalt daarom dat de heffingsambtenaar binnen uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog opnieuw een uitspraak op bezwaar kenbaar maakt.
10. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Is er een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
11. Eiser heeft na het instellen van beroep alsnog de heffingsambtenaar in gebreke gesteld op 9 september 2024. Op 31 oktober 2024 heeft eiser de rechtbank aanvullend verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
12. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen is in dit geval niet vereist dat eiser vóór het instellen van beroep de heffingsambtenaar in gebreke stelt. De vraag die hier moet worden beantwoord is of eiser nadien aanspraak kan maken op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en geeft daarvoor de volgende motivering.
13. Door de heffingsambtenaar is nog geen nieuw besluit genomen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
14. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken niet blijkt dat de heffingsambtenaar ondertussen een dwangsombesluit heeft genomen. Evenmin heeft de heffingsambtenaar betwist dat op dit moment de maximale dwangsom is verbeurd. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom daarom zelf vast op grond van artikel 8:55c van de Awb. De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 24 september 2024 (twee weken na indiening van de ingebrekestelling) tot 6 november 2024 en bedraagt € 1.442,-.
Conclusie
15. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt.
16. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak licht van gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een uitspraak op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van P.G. Ranck, griffier, en uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Zaaknummer AMS 21/5988.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673, en 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774.
Dit staat in artikel 4:17 en artikel 4:18, eerste lid, van de Awb.