Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-12
ECLI:NL:RBAMS:2025:1520
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,064 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/6924
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Telting).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor eenmalige energietoeslag 2023 op grond van de Participatiewet (Pw).
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2024 afgewezen omdat het jaarinkomen van eiser in 2023 hoger was dan het normbedrag van € 24.720,-. Het inkomen van eiser was namelijk € 24.779,-. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor eenmalige energietoeslag mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
3. Op grond van artikel 35, vierde lid, van de Pw kan verweerder aan een alleenstaande bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande in dat jaar een sterk gestegen energierekening had. De energietoeslag is daarmee een vorm van zogenaamde categoriale bijstand omdat niet gekeken wordt naar de behoefte van de individuele aanvrager. Verweerder is bevoegd om eenmalige energietoeslag toe te kennen en heeft bij de uitoefening van die bevoegdheid beleidsruimte om te bepalen wie voor deze energietoeslag in aanmerking komt. Dit betekent dat de rechtbank de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om energietoeslag toe te kennen, terughoudend moet toetsen.
4. Verweerder heeft in de Beleidsregels eenmalige energietoeslag 2023 van de gemeente Amsterdam (de beleidsregels) vastgesteld dat de energietoeslag van € 800,- is bedoeld voor onder meer een huishouden dat over het refertejaar over een laag inkomen beschikte. In artikel 2, derde lid, van de beleidsregels is bepaald dat onder een laag inkomen wordt verstaan een fiscaal gezinsinkomen dat niet hoger is dan 130% van het wettelijk minimum loon (WML) voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden. In artikel 1, aanhef en onder c, van de beleidsregels is bepaald dat onder fiscaal inkomen wordt verstaan het brutoloon of uitkering met daarbij gerekend belaste vergoedingen.
5. Eiser voert aan dat het door hem behaalde negatieve bedrijfsresultaat moet worden verrekend met de door hem ontvangen inkomsten. Verweerder heeft deze negatieve winst ten onrechte buiten beschouwing gelaten. In de beleidsregel staan de gemeentelijke bepalingen voor de categoriale bijzondere bijstand in de vorm van de eenmalige energietoeslag. Het standpunt van verweerder dat voor de begrippen die niet in artikel 35, vierde lid van de Pw en de beleidsregels genoemd zijn automatisch de Pw zelf geldt, heeft juridisch geen grondslag. Verweerder heeft beleidsvrijheid ten aanzien van onder andere het inkomen en vermogen dat in aanmerking wordt genomen, en de periode waarover het inkomen in aanmerking wordt genomen. Verweerder heeft deze beleidsvrijheid gebruikt door alle begrippen die relevant zijn te noemen en definiëren in de beleidsregel. Voor het inkomensbegrip geldt de beleidsregel en het gewekte vertrouwen in de uitingen van verweerder in verband met de energietoeslag.
6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van artikel 35 van de Pw wordt het inkomen inclusief vakantiegeld identiek aan het recht op algemene bijstand vastgesteld. De artikelen 31 en 32 van de Pw bieden geen ruimte om negatief inkomen uit onderneming te verrekenen met ander positief inkomen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. In het kader van de bijstand is bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Dat de Belastingdienst bij de vaststelling van het verzamelinkomen wel rekening houdt met gemaakte kosten en aftrekposten, is niet van belang bij de uitleg van het begrip middelen en inkomen in de zin van de artikelen 31 en 32 van de Pw, omdat het om een ander wettelijk inkomensbegrip gaat. Dit betekent dat verweerder bij het vaststellen van het inkomen van eiser terecht het negatieve inkomen uit eisers onderneming niet heeft betrokken.
7. Eiser voert verder aan dat er sprake is van discriminatie en concurrentievervalsing omdat bij een onderneming met positieve winst wel rekening wordt gehouden met de aftrekposten om de draagkracht te bepalen, maar bij eisers onderneming met negatieve winst niet doordat het inkomen uit onderneming op nul wordt gesteld.
8. Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. Niet gebleken is dat eiser anders wordt behandeld dan andere aanvragers met een negatief inkomen uit eigen bedrijf. Van concurrentievervalsing of strijd met het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet gebleken. De vergelijkingen van eiser met andere aanvragers gaan mank, omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Dat de belastingdienst anders omgaat met negatief inkomen van een bedrijf bindt verweerder niet in de uitvoering van de Participatiewet, omdat sprake is van andere regelgeving met andere uitgangspunten en doelstellingen. De rechtbank is van oordeel dat evenmin sprake is van discriminatie, reeds omdat niet is gebleken van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. Verweerder heeft het inkomen van eiser op de juiste wijze vastgesteld en heeft gelet op de hoogte ervan in redelijkheid kunnen besluiten dat eiser niet in aanmerking komt voor een energietoeslag. Verweerder heeft het bestreden besluit uitvoerig en juist gemotiveerd, zodat het beroep van eiser op een motiveringsgebrek evenmin slaagt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2666 en ECLI:NL:CRVB:2019:2667.