Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBAMS:2025:1479
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,286 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.261113.21 (ontneming)
Datum uitspraak: 20 februari 2025
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.261113.21, tegen:
[veroordeelde] , hierna: veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende op het adres [adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2025. Tijdens die zitting heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat veroordeelde en zijn raadsman, mr. M. Landsman, naar voren hebben gebracht.
2De vordering
De vordering van de officier van justitie van 14 mei 2024 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 169.295,05.
3Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2022 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd;
Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet;
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
4. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
5. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
4Procesafspraken
Na een regiezitting in deze ontnemingsprocedure op 6 augustus 2024 hebben de officier van justitie en de verdediging gesprekken gevoerd over mogelijke procesafspraken. Uiteindelijk zijn op 5 februari 2025 door de officier van justitie, veroordeelde en de raadsman procesafspraken ondertekend en deze overeenkomst is in het ontnemingsdossier gevoegd. In deze overeenkomst zijn de volgende afspraken opgenomen.
Zitting
De officier van justitie zal ter zitting vorderen dat:
het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 169.295,05;
een betalingsverplichting wordt opgelegd van € 89.000,-;
de maximale duur van de gijzeling wordt bepaald op 3 jaar.
Veroordeelde:
zal geen (verdere) onderzoekswensen indienen;
zal geen bewijsverweren voeren en al ingediende onderzoekswensen intrekken;
hoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;
zal geen verweren voeren tegen de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de gevorderde betalingsverplichting.
Executie
Ten aanzien van de executie verklaart veroordeelde betalingsbereid te zijn, in staat te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren. Ten aanzien van het reeds gelegde (conservatoire) beslag doet veroordeelde afstand van al het beslag en de waarde daarvan zal niet in mindering worden gebracht op eerder genoemde betalingsverplichting.
Hoger beroep
In het geval de rechtbank de procesafspraken volgt, zien veroordeelde en de officier van justitie af van hoger beroep.
5Het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 169.295,05.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de procesafspraken te volgen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Procesafspraken
De rechtbank heeft bij haar oordeel gekeken naar de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten procesafspraken. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak op 20 februari 2025 heeft de rechtbank de procesafspraken met veroordeelde besproken, terwijl veroordeelde werd bijgestaan door zijn raadsman. Daar heeft veroordeelde verklaard dat hij door zijn raadsman is voorgelicht over de procesafspraken en dat hij de consequenties daarvan begrijpt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, ook waar het gaat om de door veroordeelde te aanvaarden betalingsverplichting samenhangend met het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verantwoordelijkheid rechtbank
Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in deze zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld wegens een of meer strafbare feiten een ontnemingsmaatregel worden opgelegd indien hij door middel van die strafbare feiten voordeel heeft verkregen.
De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 17 maart 2022 (hierna: het ontnemingsrapport). Op grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 169.295,05, welk bedrag overeenkomt met het bedrag genoemd in de procesafspraken. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, te weten paragraaf 5.2 van het ontnemingsrapport.
6De verplichting tot betaling
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank ziet echter aanleiding om daarvan af te wijken.
De bevoegdheid van de rechter om het ontnemingsbedrag lager vast te stellen is niet beperkt tot specifieke gevallen, zoals bijvoorbeeld de draagkracht van de veroordeelde. Het is aan de ontnemingsrechter om te beslissen welke omstandigheden van belang zijn voor de beslissing of de betalingsverplichting wordt gematigd en, zo ja, met welk bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ook gemaakte procesafspraken een dergelijke omstandigheid zijn.
Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben afgesproken de rechtbank voor te stellen om de betalingsverplichting vast te stellen op € 89.000,-.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 169.295,05.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 89.000,- (negenentachtig duizend euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 3 (drie) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C. Wolswinkel en J.M. Bos, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2025.
Een proces-verbaal van rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 15 april 2024, inclusief onderliggende stukken, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam] .
ECLI:NL:HR:2022:67.