Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:1452
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,168 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3933
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2024 afgewezen omdat eiseres geen urgent huisvestingsprobleem heeft en zij daarnaast haar woonprobleem redelijkerwijs kon voorkomen.
1.3.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen.
Urgent huisvestingsprobleem
3.1.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (hierna: Hvv) volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In hoofdstuk 1 van de Nadere regels worden omstandigheden genoemd die in ieder geval geen urgent huisvestingprobleem opleveren. Daartoe behoort (artikel 3, ad b, onder punt 5) dat de aanvrager met of zonder kinderen inwonend is bij een ander huishouden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat eiseres met haar kind inwoont aan de [adres] [huisnummer] te Amsterdam en er dus geen sprake is van dakloosheid.
3.2.
Eiseres heeft naar voren gebracht dat sprake is van een precaire en ondraaglijke woonsituatie omdat zij met haar kind in een driekamerwoning woont met zeven andere personen. Eiseres kampt met psychische problematiek en bij haar zoon is sprake van gehoorproblemen en een ontwikkelingsachterstand.
3.3.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Hoewel het geen ideale situatie is, hebben eiseres en haar zoon een woning tot hun beschikking. Aanvankelijk is door eiseres nog aangevoerd dat zij op korte termijn de woning zouden moeten verlaten, maar op zitting heeft zij verklaard dat de hoofdhuurders haar en haar zoon in de woning laten verblijven zolang zij geen alternatief hebben. Van dakloosheid of dreigende dakloosheid is dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Had eiseres het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kunnen voorkomen?
4.1.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Hvv volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien eiseres het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen. Volgens verweerder is dit het geval omdat eiseres een gezin heeft gesticht zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken (artikel 3, ad c, onder punt 2, van hoofdstuk 1 van de Nadere regels).
4.2.
Eiseres voert aan dat haar deze weigeringsgrond niet kan worden tegengeworpen, omdat het haar grondrecht is om een gezin te vormen.
4.3.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat op grond van de Hvv en de Nadere regels in dit geval sprake is van een te voorkomen of oplosbaar probleem als de aanvrager een gezin heeft gesticht zonder daartoe over passende woonruimte te beschikken. Eiseres woonde al in de huidige woning in toen zij haar zoon kreeg. Dat is een te respecteren keuze, maar de gevolgen komen dan voor het risico van eiseres. Ook op grond hiervan mocht verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring weigeren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had verweerder de medische en sociale situatie van eiseres moeten onderzoeken?
5.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder verplicht is om zelf onderzoek te doen naar haar situatie. Volgens eiseres hadden haar medische en sociale problemen moeten worden betrokken bij de beoordeling van verweerder. Op dit moment is het volgens eiseres met name de sociale situatie die zorgt voor een noodsituatie. Zij slaapt namelijk met haar zoon in de gang van de woning, maar desondanks onderkent verweerder de urgentie van deze situatie niet, aldus eiseres.
5.2.
Uit de artikelen 10.1, eerste lid, en 10.2, eerste lid, van de Nadere regels volgt dat niet getoetst wordt aan de medische dan wel sociale gronden voor verlening van een urgentieverklaring als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de Hvv. Aangezien de aanvraag van eiseres – zoals hierboven is geoordeeld – op goede gronden is geweigerd op grond van twee van de algemene weigeringsgronden, hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet door te toetsen en onderzoek te verrichten naar de medische dan wel sociale situatie van eiseres. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
6.1.
Tot slot – zo begrijpt de rechtbank – beroept eiseres zich op de hardheidsclausule. Omdat eiseres met haar zoon in een overvolle woning verblijft, is sprake van een noodsituatie en van levensontwrichtende omstandigheden.
6.2.
Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring indien de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
6.3.
De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een moeilijke (woon)situatie bevindt. Deze situatie van eiseres is echter niet dusdanig schrijnend of bijzonder, dat verweerder gehouden was om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht wordt, gelet op de zeer schaarse voorraad sociale huurwoningen in de gemeente Amsterdam, de hardheidsclausule alleen toegepast in heel bijzondere situaties. Uit de stukken die eiseres heeft overgelegd, blijkt niet dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Integendeel, eiseres en haar zoon hebben onderdak totdat zij een andere plek vinden. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.