Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-03-10
ECLI:NL:RBAMS:2025:1451
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,662 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2973
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadri).
Inleiding
1.1.
Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring omdat haar woonlasten te hoog zijn en haar woning te klein is. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van die aanvraag.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 december 2023 afgewezen.
1.3.
Met het bestreden besluit van 18 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en zij niet valt in de doelgroep voor een sociale urgentieverklaring.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De behandeling van het beroep stond gepland op 20 februari 2025. Eiseres en haar gemachtigde hebben op 20 november 2024 schriftelijk laten weten niet te zullen verschijnen. Daarop is ook namens verweerder niemand verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen.
Urgent huisvestingsprobleem
3.1.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: Hvv) volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In hoofdstuk 1 van de Nadere regels worden omstandigheden genoemd die in ieder geval geen urgent huisvestingprobleem opleveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat eiseres over een woning beschikt. Er is niet aangetoond dat sprake is van te hoge huurlasten, omdat zij niet in aanmerking komt voor een woonkostentoeslag. Dat de woning te klein is waardoor de kinderen hun slaapkamer moeten delen is ook geen grond voor verstrekken van een urgentieverklaring, aldus verweerder.
3.2.
Eiseres heeft naar voren gebracht dat verweerder de te hoge woonlasten en de te kleine woning bij de beoordeling in samenhang moet zien. Er is sprake van een precaire financiële situatie omdat nagenoeg de helft van het inkomen aan huurlasten wordt besteed. Bovendien is sprake van een inkomensval nu het gezin uit elkaar is gevallen. Eiseres vraagt zich af waarom bij eiseres eerst dakloosheid moet ontstaan voordat sprake is van een urgent woonprobleem. Het ligt in de lijn der verwachting dat zij deze situatie financieel niet lang kan volhouden, met alle gevolgen van dien.
3.3.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem, ook wanneer alle omstandigheden in samenhang worden bezien. Hoewel het geen ideale situatie is, hebben eiseres en haar kinderen op dit moment een woning tot hun beschikking. Niet is gebleken dat eiseres deze kosten niet kan dragen. Dat zij hierdoor minder middelen kan besteden aan andere zaken, zoals zwemles of buitenschoolse activiteiten, is spijtig. Het is echter geen reden om op grond van de huidige regels een urgentieverklaring verleend te krijgen. Ook het feit dat de woning te klein zou zijn is daar geen reden voor. Van dakloosheid of dreigende dakloosheid is dus geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Sociale urgentie
4.1.
Uit artikel 10.2, eerste lid, van de Nadere regels volgt dat niet getoetst wordt aan de sociale gronden voor verlening van een urgentieverklaring als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de Hvv. Aangezien de aanvraag van eiseres terecht is geweigerd op grond van een algemene weigeringsgrond, hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet door te toetsen en onderzoek te verrichten naar de sociale situatie van eiseres.
4.2.
Verweerder heeft dat desondanks wel gedaan en in het bestreden besluit overwogen dat er in de situatie van eiseres geen sprake is van dreigende dakloosheid door een inkomensval. Verweerder heeft overwogen dat de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor te hoge woonlasten is afgewezen aan de hand van een draagkrachtberekening. Daaruit is ook niet gebleken dat het inkomen plotseling is gedaald. Eiseres valt volgens verweerder dus niet onder de doelgroep waar de sociale urgentie op ziet.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit terecht heeft kunnen stellen. Er kan een urgentieverklaring worden verleend aan woningzoekenden die op grond van onder andere sociale redenen dringen woonruimte nodig hebben. Die kan alleen worden verkregen als een aanvrager met zorg voor minderjarige kinderen wordt geconfronteerd met dakloosheid door onder andere inkomensval. Daarnaast moet sprake zijn van een levensontwrichtende situatie. Daarvan is in het geval van eiseres niet gebleken, zoals ook onder 3.3. overwogen.
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
5.1.
Ook beroept eiseres zich op de hardheidsclausule. Zij stelt dat haar situatie schrijnend is. De huidige woonsituatie escaleert en heeft invloed op haar hele leven en doen en laten, maar ook op die van haar kinderen. Door de financiële situatie krijgen de kinderen niet wat ze hadden kunnen krijgen als zij in een sociale huurwoning zouden wonen. Bovendien is eiseres slachtoffer van het Toeslagenschandaal. Haar ontvangen compensatie in die kwestie zou niet aangewend hoeven worden om de hoge woonlasten te kunnen voldoen.
5.2.
Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring indien de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
5.3.
Zoals hierboven overwogen, begrijpt de rechtbank dat eiseres zich niet in een ideale (woon)situatie bevindt nu zij hoge woonlasten heeft. Deze situatie van eiseres is echter niet dusdanig schrijnend of bijzonder, dat verweerder gehouden was om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid. De hardheidsclausule wordt alleen toegepast in heel bijzondere situaties. Uit hetgeen eiseres heeft overgelegd, blijkt niet dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Haar overige persoonlijke omstandigheden leveren ook niet een bijzondere situatie op als hiervoor bedoeld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op internationale verdragen
6.1.
Ten slotte beroept eiseres zich, evenals in de bezwaarfase, op diverse internationale bepalingen, internationale jurisprudentie, artikel 22 van de Grondwet en artikel 12 van de Huisvestingswet 2014. Volgens eiseres volgt daaruit dat de overheid een zorgplicht heeft en moet zorgen voor voldoende woongelegenheid en adequate opvang voor kinderen en hun verzorgende ouders. Hoewel de Afdeling hier al vaker over heeft geoordeeld, persisteert eiseres bij deze gronden. De woningschaarste is immers in de loop der jaren alleen maar toegenomen.
6.2.
De Afdeling heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat het restrictieve beleid van de gemeente Amsterdam niet onredelijk is. De Afdeling heeft zich ook al uitgelaten over de strijdigheid met de Grondwet en internationale verdragen. De gronden die eiseres aanvoert over de Huisvestingsverordening en de Huisvestingswet 2014 gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. Wat eiseres aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.
Genoemd in artikel 2.10.8, eerste lid van de Hvv.
Artikel 10.2, derde lid onder a en b van de Nadere Regels.
Artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de artikelen 17 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2508, rechtsoverweging 6.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:412.
Zie de uitspraak van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:93, onder 5 en 6, over exceptieve toetsing.