Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-13
ECLI:NL:RBAMS:2025:1342
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste en enige aanleg
1,225 tokens
Dictum
1de vennootschap onder firma [verzoeker 1] ,
2. [verzoeker 2],
3. [verzoeker 3],
verzoekers,
gemachtigde: de heer [gemachtigde] ,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1
Procesverloop
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift in de hoofdzaak, gehouden op 28 november 2024 met daarin opgenomen de grond tot wraking;
de schriftelijke aanvulling/verduidelijking op het wrakingsverzoek van 16 januari 2025 van verzoekers;
de schriftelijke reactie van de rechter.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 30 januari 2025. Verschenen zijn verzoekers sub 2 en 3, mede namens verzoekster sub 1, bijgestaan door de gemachtigde. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen. Namens de wederpartij in de hoofdzaak was mr. M. Mzaoui als toehoorder aanwezig. De gemachtigde van verzoekers heeft het verzoek nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Daarna is uitspraak bepaald op vandaag.
Feiten
a. a) Verzoekers zijn verwerende partij in een zaak die bij de rechter onder zaaknummer C/13/758840 / KG RK 2401771 in behandeling is.
b) Op 28 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Nadat de behandeling door de rechter was gesloten, hebben verzoekers de rechter ter zitting gewraakt.
3Het verzoek en de gronden daarvan
In het proces-verbaal staat als wrakingsgrond vermeld: “U bent de trustee van de trust van [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 1] De griffier is curator. Wij zijn de benefiiciairen van de trust. U kunt dan geen oordeel vellen, want u heeft meerdere petten op. Bovendien heeft de rechter geen autoriteit over de levende man en levende vrouw.” Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is hieraan toegevoegd dat verzoekers van mening zijn dat van een eerlijke rechtsgang geen sprake is en dat verzoekers twijfelen aan de onpartijdigheid van de rechter.
4De reactie van de rechter
De rechter berust niet in de wraking. Zij is van mening dat er geen gronden zijn om het verzoek tot wraking toe te wijzen.
5De gronden van de beslissing
5.1.
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij verzoekers(s) bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig dan wel vooringenomen is, objectief is gerechtvaardigd.
5.2.
Uit de ter zitting van de mondelinge behandeling op 28 november 2014 gegeven motivering van het verzoek tot wraking en de toelichting daarop ter zitting van de Wrakingskamer volgt dat verzoekers menen dat de rechter vooringenomen/partijdig is of dat daartoe bij hen een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. De Wrakingskamer volgt dit standpunt niet. Dat de rechter het tot nog toe kennelijk niet met alle argumenten van verzoekers eens is, betekent niet dat - naar objectieve maatstaven gemeten - de rechter daarmee blijk geeft van (de schijn van) partijdigheid. Dat de rechter bepaalde verweren niet relevant vindt, is evenmin een aanwijzing van partijdigheid. Dat verzoekers niet voldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt voor het voetlicht te brengen, is niet gebleken. Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de rechter de behandeling van het verzoek had gesloten. Kennelijk vrezen verzoekers dat de rechter in hun nadeel zal beslissen, maar dat is geen rechtsgeldige grond voor wraking. Het verzoek is daarom ongegrond.
5.3.
Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. M.V. Ulrici, voorzitter, W.M.C. van den Berg en L. van Berkum, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.