Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-25
ECLI:NL:RBAMS:2025:1209
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,869 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4994
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit Amsterdam, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Vereniging van Eigenaren Bedrijfsverzamelgebouw [huisnummer 2] (linker gebouw) [adres1] hoek [adres2], uit Amsterdam, de VvE
(gemachtigde: M. van Leeuwen).
Inleiding
[huisnummer 2] . In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aan de VvE verleende omgevingsvergunning op grond van de Wabo.
1.1.
Het college heeft deze vergunning met het besluit 2 november 2023 verleend. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. [eiser 1] was aanwezig, het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 1] en heeft als adviseur [naam 2] (Brandweer Amsterdam-Amstelland) meegenomen. Namens de VvE was M. van Leeuwen aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2.
2.1.
Op de locatie [adres2] [huisnummers 1] en [adres1] [huisnummers 2] bevindt zich een bedrijfsverzamelgebouw van 22 bedrijfsunits verdeeld over twee verdiepingen. Elke unit (begane grond en verdieping) is uitgevoerd als afzonderlijk brandcompartiment. Voor de bouw van het bedrijfsverzamelgebouw is in 2004 vergunning verleend.
2.2.
In de algemene ledenvergadering (ALV) van de VvE van 12 juli 2023 is besloten dat de VvE opdracht geeft aan ter zake deskundig adviesbureau om te onderzoeken hoe het beste de brandcompartimentering aan te passen en vervolgens namens de VvE een omgevingsvergunning aan te vragen om de brandcompartimentering terug te brengen naar een (binnen de wet) zo klein als toegestaan aantal compartimenten.
2.3.
De VvE heeft op 7 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd.
2.4.
Met het besluit van 2 november 2023 heeft het college aan de VvE een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de brandcompartimentering op de locatie [adres2] [huisnummers 1] en [adres1] [huisnummers 2] . Daarbij is als voorschrift opgelegd dat elke unit voorzien dient te worden van een draagbare of verrijdbaar blustoestel, wat ten minste eenmaal per twee jaar moet worden gecontroleerd.
3. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers (eigenaren van [adres2] [huisnummer 1] respectievelijk [adres2] [huisnummer 2] ) ongegrond verklaard. Beoordeling door de rechtbankToetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
5. Het gaat in deze zaak om een omgevingsvergunning voor de activiteit het bouwen van een bouwwerk. De vergunning voor deze activiteit is verleend op grond van artikel 2. 1 , eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 2.10 van de Wabo. Dit wettelijk kader brengt mee dat het college de aanvraag die betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk alleen kan weigeren in geval van, kort gezegd, strijd met het Bouwbesluit, strijd met de Bouwverordening, strijd met het bestemmingsplan of strijd met redelijke eisen van welstand. Dit stelsel voor de beoordeling van de aanvragen om vergunningen is een zogenoemd limitatief-imperatief stelsel. Dat houdt in dat dwingend is voorgeschreven dat de vergunning moet worden geweigerd indien één of meer van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden zich voordoen en dat de vergunning moet worden verleend indien géén van de weigeringsgronden zich voordoen. Bevoegdheid van de VvE
6.1.
Eisers stellen dat de VvE de aanvraag niet mocht doen. Eisers voeren daartoe – kort samengevat – het volgende aan. Het besluit van de ALV is niet met algemene stemmen genomen. Door de beslissing wordt in het eigendomsrecht van eisers getreden, omdat geen sprake is van gemeenschappelijke gedeeltes maar van 22 appartementsrechten. Het mandaat voor het kleinst mogelijke aantal brandcompartimenten is niet gevolgd. Ten onrechte wordt het Vectorrapport van 6 september 2022, wat uit gaan van 22 brandcompartimenten, niet uitgevoerd.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de ALV van 12 juli 2023 is besloten dat de VvE de aanvraag voor het wijzigen van de brandcompartimentering mocht indienen. In de uitspraak van 31 januari 2007 heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geoordeeld dat uit artikel 5:126 van het BW volgt dat de VvE het beheer voert over de gemeenschap en dat de VvE op grond van de beheerstaak een eigen rechtstreeks belang heeft. In dit geval gaat het om het wijzigen van de brandcompartimentering van het hele perceel die meerdere appartementseigenaren bezitten. Dat behoort tot de gemeenschappelijke zaken waar de VvE het beheer over heeft. Met het behandelen van de aanvraag treedt het college niet in het eigendomsrecht van eisers. De VvE was bevoegd om de aanvraag voor de omgevingsvergunning in te dienen.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers het niet eens zijn met het besluit van de ALV. De kantonrechter van deze rechtbank heeft echter op 11 april 2024 geoordeeld dat de VvE gerechtigd was de aanvraag in te dienen. Als eisers het niet eens zijn met de beslissing van de kantonrechter, staat hiervoor hoger beroep open. Hetgeen eisers overigens aanvoeren, zoals de in de aanvraag gekozen optie, zijn geen zaken die het college bij de toets voor de omgevingsvergunning hoeft te controleren. Om daarover te oordelen is de burgerlijke rechter de aangewezen instantie. Perceelgrenzen
7.
7.1.
Eisers voeren aan dat het college er ten onrechte van uit gaat dat sprake is van één perceel. Volgens eisers gaat het om 22 eigendomsrechten.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat in het Kadaster is geregistreerd dat het één perceel betreft waarvan de eigendom gesplitst is in 22 appartementsrechten. Dat betekent dat de brandcompartimentering zich niet uitstrekt over de perceelsgrens. Rechtens verkregen niveau
8.
8.1.
Eisers voeren – samengevat – aan dat elke unit moet voldoen aan het in 2004 bij de oprichting van het gebouw vergunde niveau van weestand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) 60 minuten en niet alleen de compartimenten volgens de nu vergunde indeling. De nieuw vergunde indeling in zes compartimenten is volgens eisers een onderschrijding van het in 2004 rechtens verkregen niveau. Eisers baseren zich op een opmerking tijdens de hoorzitting en op het Vector rapport. Dit rapport moet worden gezien als een tegenadvies tegen het Brandweer advies.
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals onder overweging 5 is overwogen moet het college een aanvraag beoordelen aan de hand van de eisen in het Bouwbesluit 2012. Als een aanvraag aan deze eisen voldoet (en er geen andere redenen zijn de vergunning te weigeren zoals bijvoorbeeld strijd met het bestemmingsplan), moet de vergunning worden verleend en als een aanvraag daaraan niet voldoet, moet de vergunning worden geweigerd.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 6.31, lid 1 en 4, van het Bouwbesluit 2012.
ECLI:NL:RVS:2007:AZ7416.
Zie Splitsingsakte van 20 januari 2004 en artikel 9 e.v. van het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1992.
Inleiding
8.3.
Op grond van het Bouwbesluit 2012 wordt onder het rechtens verkregen niveau verstaan het niveau dat het gevolg is van de toepassing op enig moment van de relevante op dat moment van toepassing zijnde technische voorschriften en dat niet lager ligt dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk en niet hoger dan het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een te bouwen bouwwerk.
8.4.
Op grond van artikel 2.83, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 moet de omvang van een brandcompartiment voor industriefunctie maximaal 2500 m2 zijn. Het aangevraagde project heeft een omvang van 1812 m2 en 1667 m2. Op grond van de artikelen 2.84 en 2.85 van het Bouwbesluit moet de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (WBDBO) tenminste 60 minuten zijn.
8.5.
Naar aanleiding van de vergunningsaanvraag heeft het college de Brandweer Amsterdam-Amstelland (de Brandweer) gevraagd een deskundigenadvies uit te brengen. De Brandweer heeft op 19 september en 30 oktober 2023 advies uitgebracht en heeft daarbij ook het Vector rapport betrokken. De conclusie van het advies is dat de aanvraag voldoet aan de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) en het Bouwbesluit 2012. Wel dienen draagbare en/of verrijdbare blustoestellen en rookmelders worden aangebracht. Op 14 januari 2025 heeft de Brandweer naar aanleiding van het beroepschrift nogmaals advies uitgebracht. Het rechtens verkregen niveau is volgens de Brandweer op grond van het Bouwbesluit het nieuwbouwniveau. Als brandcompartimenten kleiner worden aangegeven en uitgevoerd dan de minimaal vereiste omvang zoals aangegeven in het Bouwbesluit op nieuwbouwniveau, is er een hoger kwaliteitsniveau aanwezig. Maar het rechtens verkregen niveau ligt dan op nieuwbouwniveau en niet op het aanwezige hogere kwaliteitsniveau. In het Vector rapport is aangegeven dat de aanwezige brandveiligheidsvoorziening is getoetst aan de vergunde situatie. Dat wil niet zeggen dat de vergunde situatie ook de minimum vereiste situatie conform Bouwbesluit is. De Brandweer betwist niet het Vector rapport dat nader onderzoek gewenst is om aan te tonen dat met de technische uitvoering aan de brandveiligheidseisen wordt voldaan.
8.6.
De rechtbank ziet geen reden om de adviezen van de Brandweer in te twijfel te trekken. De rechtbank stelt vast dat het project aan de in overwegingen 8.3 en 8.4 genoemde vereisten voldoet. Niet is gesteld of gebleken dat aan andere eisen uit het Bouwbesluit 2012 niet wordt voldaan. Op grond van het limitatief-imperatief stelsel van artikel 2. 1 , eerste lid, onder a, en artikel 2.10 van de Wabo moest het college de aangevraagde omgevingsvergunning dan ook verlenen. Overige gronden
9. Eisers voeren – samengevat – aan dat het college niet heeft gehandhaafd op brandveiligheid en het feit dat er gewoond wordt in sommige units. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen onderdeel van het hierboven geschetste limitatief imperatieve toetsingsstelsel en kan dit daarom geen rol spelen bij de vraag of het college de omgevingsvergunning terecht verleend heeft. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek kan hierover zo nodig een losstaande procedure gevolgd worden.
10. Eisers voeren aan dat de vergunning niet zal worden uitgevoerd. Ook dit maakt naar het oordeel van de rechtbank geen onderdeel uit van het toetsingskader. Dit is slechts anders als op voorhand gezegd kan worden dat een vergunning niet uitgevoerd zal worden. Dat is echter in deze zaak niet aannemelijk gemaakt.
11 . Eisers voeren aan dat de Brandweer in zijn advies heeft geschreven dat de onderschrijding kan worden gecompenseerd met het opleggen van de verplichting tot het hebben van een brandblusser in ieder op zichzelf afgesloten compartiment van het brandcompartiment. De rechtbank stelt vast dat dit feitelijk onjuist is. In het advies van 14 januari 2025 staat dat de brandweer niet van mening is dat onderschrijding gecompenseerd kan worden met een brandblusser. Aan de vergunning kan op grond van artikel 6.31 van het Bouwbesluit 2012 de voorwaarde van het plaatsen van brandblussers worden gesteld, zoals de Brandweer ook in zijn advies vermeldt.
12. Eisers voeren – samengevat – aan dat het college handelt in strijd met het fair play beginselen en meerdere andere beginselen van behoorlijk bestuur. Zo heeft het college volgens eisers stukken in het kader van het bezwaar en van de procedure bij de kantonrechter te laat aangeleverd aan hemzelf, stukken te laat overgelegd aan de rechtbank, gronden weg gelaten dan wel verdraaid, strategisch afgewacht met het nemen van besluiten en geveinsd dat de beslistermijn verlengd is. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat het college misbruik gemaakt heeft van zijn bevoegdheden. Verder zijn in deze procedure de stukken overgelegd conform de termijnen in het Procesreglement Bestuursrecht en is niet gebleken dat het college heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde.
13. Eisers voeren – samengevat – aan dat bestreden besluit voor hen onevenredige gevolgen heeft omdat zij financieel benadeeld worden. Eisers stellen onder meer dat hun appartementsrechten onverkoopbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat eisers dit niet hebben onderbouwd en dat zij de overige redenen niet hebben geconcretiseerd. Er is dus geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. De nadelen die eisers aanvoeren zien vooral op het niet handhaven, maar zoals in overweging 9 is geoordeeld is dat een andere procedure.
14. Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel van de rechtbank. Conclusie en gevolgen
15. De aangevoerde gronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.