Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-05
ECLI:NL:RBAMS:2025:11486
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/705 V uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [opposant], te [woonplaats], opposant, en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder. Procesverloop Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een uitspraak op bezwaar door verweerder. In de uitspraak van 12 mei 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen 1. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat opposant de ingebrekestelling te vroeg naar verweerder heeft opgestuurd. 2. Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Reden van verzet 3. Opposant heeft in zijn verzetschrift geschreven dat het bewaarschrift op 19 november 2024 is ingediend. Dit was vóór de laatste zes weken van het jaar. Beoordeling Wat is er gebeurd? 4. Opposant heeft op 19 november 2024 een bedrag van € 51,10 aan leges betaald voor het verstrekken van een rijbewijs. Opposant heeft met een brief van 19 november 2024 op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen de heffing van leges. Met een brief van 2 januari 2025 heeft opposant een ingebrekestelling gezonden. Met een brief van 20 januari 2025 heeft opposant de gronden van het bezwaar ingediend. Op 24 januari 2025 heeft opposant beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een uitspraak op bezwaar. Wat staat er in de wet? 5.1 In de Awb staan de algemene regels over de beslistermijn op een bezwaarschrift. Tot 1 oktober 2009 stond in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dat het bestuursorgaan (…) na ontvangst van het bezwaarschrift op het bezwaar moet beslissen. Met ingang van 1 oktober 2009 is dit artikel gewijzigd en is, voor zover hier relevant, daarin bepaald dat de beslistermijn aanvangt, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De wetgever heeft het uitgangspunt dat de beslistermijn aanvangt op de dag na ontvangst van het bezwaarschrift losgelaten en bepaald dat de beslistermijn aanvangt op de dag na afloop van de bezwaartermijn. 5.2 Van de algemene regel in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb kan worden afgeweken onder de voorwaarde dat die uitzondering in de betreffende wet staat. De beslistermijn in een zaak als deze is geregeld in de Gemeentewet. In artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid van de Awb uitspraak wordt gedaan in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De uitzondering in de Gemeentewet gaat alleen over artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. 5.3 Artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is naar aanleiding van de wijziging van de Awb op 1 oktober 2009 niet aangepast. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 236 Gemeentewet staat evenmin dat de wetgever anders heeft bedoeld. Hoewel de wetgever in de systematiek van de Gemeentewet bewust heeft gekozen voor een langere beslistermijn dan in de Awb, heeft de wetgever in de afgelopen 16 jaar tot op heden geen actie ondernomen om voor een in de laatste maanden van het kalenderjaar ingediende bezwaarschrift artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet aan te passen. 5.4 Het voorgaande betekent dat als een bezwaarschrift uiterlijk op 19 november 2024 is ingediend artikel 7:10, eerste lid, van de Awb i