Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-08-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:11449
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,291 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11449 text/xml public 2026-05-08T08:21:21 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-08-06 13-004392-24 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11449 text/html public 2026-05-08T08:20:17 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11449 Rechtbank Amsterdam , 06-08-2025 / 13-004392-24 Zware mishandeling door met auto op fietser in te rijden en vervolgens door te rijden. RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/004392-24 Datum uitspraak: 6 augustus 2025 Vonnis van de politierechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2025. De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leenstra en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Çatbaş, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de politierechter kennisgenomen van hetgeen door en namens de benadeelde partij, [benadeelde partij] , naar voren is gebracht door zijn gemachtigde [gemachtigde] . 2 Tenlastelegging Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat primair hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouderfractuur, heeft toegebracht, door met zijn, verdachtes auto, naast die op de fiets rijdende [benadeelde partij] te gaan rijden en vervolgens plotseling en/of abrupt naar rechts te sturen waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen; subsidiair hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met zijn, verdachtes auto, naast die op de fiets rijdende [benadeelde partij] is gaan rijden en vervolgens plotseling en/of abrupt naar rechts heeft gestuurd waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door met zijn, verdachtes auto, naast die op de fiets rijdende [benadeelde partij] te gaan rijden en vervolgens plotseling en/of abrupt naar rechts te sturen waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouderfractuur ten gevolge heeft gehad. Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op de [straat] , op of omstreeks 20 mei 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde partij] ) letsel en/of schade was toegebracht. 3 Waardering van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat verdachte bewust met zijn auto op aangever, die op dat moment op de fiets zat en naast hem reed, heeft ingestuurd. De officier van justitie heeft de daarvoor relevante bewijsmiddelen genoemd. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Als gevolg van dit handelen heeft aangever ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte had na dit ongeval moeten stoppen, maar is doorgereden terwijl hij wist dat hij aangever letsel en schade had toegebracht. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrij te spreken. De raadsman heeft bij pleidooi enkele algemene opmerkingen gewijd omtrent de kwaliteit van de getuigenverhoren zoals deze hebben plaatsgevonden door politie in de onderhavige zaak. Die verhoren zouden onzorgvuldig hebben plaatsvinden, aldus de raadsman. Bij gelegenheid van de verhoren door de rechter-commissaris van zowel de verbalisanten als enkele getuigen is geen duidelijkheid verkregen omtrent de hetgeen feitelijke zou hebben plaatsgevonden, terwijl getuigen elkaar mogelijk hebben beïnvloed. De raadsman heeft op grond van de genoemde beschouwing primair betoogd dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , afgelegd bij de politie, van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat sprake is van een ernstig verzuim. Subsidiair geldt dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken. Dat met de latere getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris dit verzuim is hersteld, is volgens de raadsman onmogelijk terecht aangezien ook bij de rechter-commissaris de waarnemingen troebel blijven en gelet op het verstrijken van tijd onnauwkeuriger. Daarnaast geeft het dossier geen eenduidig antwoord op de vraag of verdachte op aangever is ingereden en of dit met opzet is gebeurd. Alle getuigen hebben in essentie een andere verklaring afgelegd. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van alle getuigen, de gebleken twijfels bij de getuigen zelf, het gebrekkig opnemen van de verklaringen op de plaats delict, de aanwijzingen dat getuigen later informatie hebben aangevuld en het ontbreken van objectieve aanknopingspunten, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte op aangever is ingereden, noch dat hij dat opzettelijk zou hebben gedaan. Indien de politierechter van oordeel is dat verdachte wél bewust op aangever is ingereden, dan geldt dat hij met zijn handelen geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Daarnaast kan het bij aangever geconstateerde letsel, te weten een schouderbreuk, niet als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Er zijn geen aanwijzingen voor een medische noodzaak tot operatie, niet gebleken is van ernstige botbeschadigingen en er zijn serieuze kanttekeningen te plaatsen bij het causale verband tussen het ondergane letsel en het incident en voorts sprake is van een onduidelijk klachtenbeeld. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wist of had moeten weten dat er een ongeval had plaatsgevonden. Ook is onduidelijk op welk moment en hoe aangever is gevallen. Ook ten aanzien van dit feit heeft de raadsman vrijspraak bepleit. 3.3. Oordeel van de politierechter De politierechter acht het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. Aangever heeft verklaard dat hij op 20 mei 2023 op de [straat] in Amsterdam fietste en dat hij werd gesneden door een taxi waarvan hij voorrang zou moeten krijgen. Als reactie hierop gaf aangever een tik op deze taxi. Aangever zag dat de taxichauffeur daarna een onverwachte stuurbeweging naar rechts maakte in de richting van aangever. Vervolgens keek de taxichauffeur aangever aan en stuurde hij opnieuw naar rechts in de richting van aangever. De rechterportier van de taxi kwam daarbij tegen aangevers stuur aan waardoor aangever ten val kwam. Aangever zag dat de taxi even inhield en dat hij daarna weer doorreed. Na onderzoek in het ziekenhuis bleek aangever door het voorval zijn schouderkop te hebben gebroken. De door aangever en getuigen doorgegeven omschrijving van de taxi die bij het voorval betrokken was en het door hen doorgegeven kentekenen van de taxi, in combinatie met het bekijken van camerabeelden in de buurt van het ongeval, hebben geleid tot verdachte.
Volledig
Een getuige ter plaatse heeft een foto gemaakt van de taxi die betrokken was bij de aanrijding en verdachte heeft zichzelf en zijn auto op die foto herkend. Ook bekent verdachte die avond als taxichauffeur aan het werk te zijn geweest. Dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden met aangever, zegt verdachte zich niet te kunnen herinneren, verdachte heeft verklaard geen enkele herinnering aan die avond meer te hebben. Verdachte heeft verklaard dat het vaker voorkomt dat mensen in het verkeer, na vermeend onjuist verkeersgedrag, een tik op zijn auto geven, maar dat hij nooit bewust op iemand zou inrijden. Volgens verdachte kan het mogelijk zo zijn dat hij vanuit een schrikreactie een stuurbeweging heeft gemaakt toen er op zijn auto werd geslagen, maar op dat punt heeft verdachte alleen in algemene zin verklaard. De politierechter overweegt dat de verklaring van verdachte geen steun vindt in het dossier. De verklaring van aangever daarentegen wel. Zo heeft getuige [getuige 2] , die bij het incident aanwezig was, tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zag dat de taxichauffeur moedwillig naar rechts richting de fietser stuurde als gevolg waarvan de fietser op de grond viel. Hij zag dat de taxi daarbij met zowel het voor- als het achterwiel over de gekleurde markering van het fietspad heen kwam. Ook getuige [getuige 3] was bij het incident aanwezig. Verbalisant [verbalisant] heeft deze getuige naar aanleiding van zijn opgemaakte getuigenverklaring nog een aantal aanvullende vragen gesteld. Uit de beantwoording van die vragen volgt dat ook getuige [getuige 3] zag dat de taxichauffeur een flinke ‘zwieper’ maakte op het fietspad in de richting van de fietser die voor [getuige 3] fietste. [getuige 3] zag dat de fietser ten val kwam, dat de taxi vaart minderde, maar na een paar seconden doorreed. Dat de verklaringen van de getuigen als onbetrouwbaar terzijde zouden moeten worden geschoven, zoals door de verdediging is aangevoerd, wordt door de politierechter niet onderschreven. Hoewel de verklaringen die aangever en de getuigen hebben afgelegd ook verschillen bevatten, komen hun verklaringen in de kern en op belangrijke punten overeen. Wat met name opvalt, en bijdraagt aan de aannemelijkheid van die verklaringen, is dat beide getuigen ook verklaren over het aandeel van aangever met betrekking tot het geven van een tik op de taxi en het inhouden van de taxi kort na de aanrijding met aangever en het vervolgens met snelheid optrekken en wegrijden. Ook zagen beide getuigen dat het voertuig zich niet meer volledig op het autogedeelte van de rijweg, maar ook voor een groot deel binnen de markering van het fietspad begaf. Daaruit kan worden afgeleid dat de taxi een aanzienlijke stuurbeweging naar rechts heeft moeten maken. Het is dan ook niet aannemelijk dat verdachte zich in het geheel niets meer van deze gebeurtenis zegt te kunnen herinneren. Het scenario zoals dat door verdachte is opgeworpen, te weten dat hij uit een schrikreactie (onbewust) naar rechts zou kunnen hebben gestuurd, acht de politierechter gelet op voornoemde omstandigheden niet aannemelijk. Los van de omstandigheid dat verdachte zich slechts in zijn algemeenheid en hypothetisch op dat punt heeft uitgelaten. Het voorgaande brengt mee dat de politierechter de verklaring van verdachte op dit punt als onaannemelijk ter zijde schuift en ervan uitgaat dat het zo gegaan is zoals aangever heeft verklaard. De politierechter stelt daarmee vast dat verdachte opzettelijk met zijn auto op aangever is ingereden. De politierechter overweegt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte vol opzet had om aangever zwaar letsel toe te brengen. Wel acht de politierechter bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van verdachte een aanmerkelijk kans op zwaar lichamelijk letsel van aangever teweeg heeft gebracht, verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en die kans ook heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte heeft als ervaren en beroepsmatige verkeersdeelnemer en bekend met de Amsterdamse verkeerssituatie rond middernacht met zijn auto een onverhoedse stuurbeweging naar rechts gemaakt in de richting van aangever, die op dat moment op de fiets zat en dus als een kwetsbare verkeersdeelnemer moet worden gezien. Verdachte heeft aangever met zijn auto geraakt, als gevolg waarvan aangever ten val is gekomen. De politierechter oordeelt dat de kans dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, aanmerkelijk is. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever gericht, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook heeft aanvaard. Dat gevolg heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt. Uit het dossier volgt immers dat aangevers rechter schouder uit de kom was en zijn schouderkop gebroken. Ook volgt uit het dossier dat aangever hieraan is geopereerd. De verwachting was aanvankelijk dat aangevers letsel na drie tot vier maanden hersteld zou zijn, maar uit zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 20 juni 2025 blijkt dat hij nog steeds last van zijn schouder heeft, het hem in zijn dagelijks levens beperkt en hij hier mogelijk blijvende schade aan overhoudt. Gelet op de aard van het letsel en de gevolgen van dit letsel voor aangever is de politierechter van oordeel dat het letsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Nu verdachte na het ongeval met aangever is doorgereden, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hiermee letsel en/of schade bij aangever was toegebracht, heeft hij zich ook aan het onder 2 tenlastegelegde schuldig gemaakt. Ook dat feit acht de politierechter dus bewezen. 4 Bewezenverklaring De politierechter acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 1, primair op 20 mei 2023 te Amsterdam aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouderfractuur, heeft toegebracht, door met zijn, verdachtes auto, naast die op de fiets rijdende [benadeelde partij] te gaan rijden en vervolgens plotseling en abrupt naar rechts te sturen waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen; ten aanzien van feit 2 als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op de [straat] , op 20 mei 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [benadeelde partij] ) letsel en/of schade was toegebracht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straffen 7.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uren te vervangen door 90 dagen hechtenis. 7.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om geen straf aan verdachte op te leggen in verband met de door hem bepleite vrijspraak. 7.3.
Volledig
Oordeel van de politierechter De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De politierechter heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door met zijn auto op aangever, die op dat moment naast hem fietste, in te rijden. Verdachte is vervolgens doorgereden, kennelijk zonder zich op enig moment om aangever te bekommeren. Dit zijn ernstige feiten, waarmee verdachte een gevaarlijke verkeerssituatie teweeg heeft gebracht en aangever aanzienlijk letsel heeft berokkend. Uit aangevers verklaring op de terechtzitting volgt dat hij nog altijd last heeft van de gebeurtenis. Verdachte heeft - nu hij geen herinnering aan het incident heeft - geen verantwoordelijkheid willen nemen voor zijn handelen. De politierechter heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De politierechter heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen niet zijnde een vuurwapen, is een gevangenisstraf van zeven maanden. De politierechter acht in dit geval net als de officier van justitie het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en geboden. Daarbij neemt de politierechter in aanmerking dat het incident inmiddels ruim twee jaar geleden heeft plaatsgevonden, verdachte niet meer werkzaam is als taxichauffeur, hij positief bezig is met zijn toekomst en hij na de onderhavige feiten niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Wel zal de politierechter een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen, ook om uitdrukking te geven aan de ernst van de feiten. Alles afwegend acht de politierechter de oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. 8 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 2.885,99 aan vergoeding van materiële schade en € 5.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de kosten voor het eigen risico, de beschadigde zaken, de osteopaat, de aanschaf van de medicatie en het vervoer voldoende zijn onderbouwd en dus kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van een aantal gevorderde kosten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze, gelet op de onderbouwing ervan, niet geheel, maar gedeeltelijk kunnen worden toegewezen. Wat de officier van justitie betreft kan de gevorderde kosten voor de beschadigde kleding tot een bedrag van € 145,00 worden toegewezen, ten aanzien van de gevorderde kosten voor de pedicure is dat een bedrag van € 20,- en voor de boodschappen € 73,95. Voor de gevorderde kosten voor de hulp vindt de officier van justitie een bedrag van € 360,- redelijk. In het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard. Dat geldt ook voor de gevorderde kosten voor de hulpmiddelen, omdat volgens de officier van justitie het causale verband tussen het strafbare feit en de gevorderde kosten niet kan worden vastgesteld en de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het geding zou opleveren. De officier van justitie heeft gevraagd de toegewezen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering is door de verdediging betwist en geconcludeerd is primair tot afwijzing van de vordering nu vrijspraak is bepleit en subsidiair wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het incident en de gestelde schade, een aantal schadeposten zijn niet met de noodzakelijke bewijsstukken onderbouwd, voor zover dat wel het geval is, is de gevorderde vergoeding bovenmatig en dienen te worden gematigd. Materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gestelde schade is opgebouwd uit de volgende onderdelen: Eigen risico ziektekostenverzekeraar De politierechter acht deze kostenpost voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. De omstandigheid dat er sprake is van long covidklachten van het slachtoffer doet daaraan niet af. Redengevend is dat er sprake is van een incident van mei 2023, de kosten worden gezien de aard van de klachten en de duur van de behandeling voldoende aannemelijk geacht. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen (€ 330,87). Beschadigde kleding Van deze kostenpost is alleen sprake van een eigen opgave van de aanvankelijke nieuwprijs van de goederen. Niet duidelijk is hoe oud die goederen waren. Het is evenwel aannemelijk dat, mede gezien de overgelegde foto’s, er sprake is van enige schade. Die schade schat de politierechter op een bedrag van € 150,-. Dat bedrag zal dus worden toegewezen. Beschadigde zaken Deze kosten zien op de herstelkosten van de fiets en de iPhone. Die kosten zijn gezien de aard van de incident en voorts voorzien van nota’s voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt en kunnen daarom integraal worden toegewezen (€ 188,81). Kosten behandeling osteopaat Deze kosten kunnen, nu zij in voldoende mate samenhangen met de aard van het incident, als gevorderd worden toegewezen (€ 406,-). Kosten behandelingen pedicure De noodzaak van deze uitgave is in het licht van de aard van het incident niet voldoende onderbouwd of aannemelijk geworden. Dit deel van de vordering zal dan ook niet worden toegewezen. Aanschaf medicatie Dit deel van de vordering zal integraal worden toegewezen gezien de aard het incident, de aard van de kosten en het moment van de uitgaven (€ 76,75). Vervoerskosten deze kosten zijn gezien de aard van het incident en de moment van de uitgaven voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden en zullen derhalve worden toegewezen (€ 147,70). Aanschaf hulpmiddelen Het causale verband tussen de gevorderde kosten voor de aanschaf van een comfortabeler stoel en het strafbare feit is niet komen vast te staan en zal daarom niet worden toegewezen. De noodzaak van de bijzondere kussens is voldoende aannemelijk gemaakt en de hoogte van deze kosten is als niet ongebruikelijk toewijsbaar. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen (€ 55,-). Bezorgkosten boodschappen De politierechter acht de noodzaak van het gedurende beperkte tijd bezorgen van boodschappen aannemelijk geworden, en anders dan gevorderd alleen gedurende de helft van de gestelde periode. Dit deel van de vordering zal derhalve tot een bedrag van € 78,94 worden toegewezen. Huishoudelijke hulp De politierechter acht de noodzaak van huishoudelijke hulp voor een periode van zes maanden voldoende aannemelijk geworden en het gehanteerde uurtarief niet bovenmatig zodat een bedrag van € 360,- kan worden toegewezen. Het voorgaande brengt mee dat een bedrag van in totaal € 1.794,07 aan materiële schade zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2023. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Volledig
Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De benadeelde partij heeft concreet gesteld en onderbouwd dat het feit veel impact op hem heeft gehad. Daarnaast heeft hij als gevolg van het strafbare feit letsel opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, zeker gezien de aard van het delict en de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de politierechter de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 5.500,-. De politierechter wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2023. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel De politierechter zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De politierechter waardeert deze op een bedrag van € 7.294,07 (zevenduizend tweehonderd en vierennegentig euro en zeven eurocent. De politierechter bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 71 dagen. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. 10 Beslissing De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1, primair zware mishandeling ten aanzien van feit 2 overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden . Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 7.294,07 (zevenduizend tweehonderd en vierennegentig euro en zeven eurocent), bestaande uit € 1.794,07 (één duizend zevenhonderd en vierennegentig euro en zeven eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.500,- (vijfduizend en vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 mei 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 7.294,07 (zevenduizend tweehonderd en vierennegentig euro en zeven eurocent), bestaande uit € 1.794,07 (één duizend zevenhonderd en vierennegentig euro en zeven eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.500,- (vijfduizend en vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 mei 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 71 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Klomp, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2025. […] . […]