Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-10-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:11409
Strafrecht
Beschikking
1,579 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2025:11409 text/xml public 2026-03-30T13:52:32 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-10-30 13/665288-19 Uitspraak Beschikking NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11409 text/html public 2026-03-30T11:39:51 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11409 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 / 13/665288-19 PIJ-verlengingsbeschikking. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de maatregel met negen maanden. beschikking RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.665288.19 Beslissing op de vordering van 10 juli 2025 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen: [minderjarige veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] , verblijvende te [jeugdinrichting] , [adres] , die bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 mei 2022 is veroordeeld tot maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel of de maatregel). De PIJ-maatregel is laatstelijk bij beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 27 juni 2024 voor de duur van 15 (vijftien) maanden verlengd. De inhoud van de vordering De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de PIJ-maatregel met 9 (negen) maanden. De procesgang De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: de termijnbrief van 29 april 2025; het uitgebrachte verlengingsadvies van [jeugdinrichting] (hierna: [jeugdinrichting] ) van 4 juli 2025, strekkende tot een verlenging van de PIJ-maatregel met 9 (negen) maanden. De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 de vordering in de openbare raadkamer behandeld. Verschenen en gehoord zijn: de officier van justitie, mr. M. Modder; [minderjarige veroordeelde] , bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam; de deskundige mw. F. van Doorn, als GZ-psycholoog/gedragswetenschapper verbonden aan [jeugdinrichting] . De standpunten Het advies van de deskundige De deskundige heeft geadviseerd om de PIJ-maatregel met negen maanden te verlengen. [minderjarige veroordeelde] heeft zich in de afgelopen periode zeer positief ontwikkeld. [minderjarige veroordeelde] wil uiteindelijk graag uitstromen in [woonplaats] en de komende tijd moet huisvesting aldaar geregeld worden. Daarnaast moet het STP van [minderjarige veroordeelde] worden overgezet. Bovendien wordt gekeken of hij zijn baan bij de Kruidvat kan voortzetten bij een filiaal tegenover zijn potentiële woonplek in [woonplaats] . Een ander doel waar de komende periode aan gewerkt moet worden is het uitbreiden van zijn sociale contacten. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met negen maanden. De komende negen maanden zijn nog nodig om tot een positieve afronding van de PIJ-maatregel te komen. Het is positief dat [minderjarige veroordeelde] dit zelf ook inziet. De officier van justitie maakt [minderjarige veroordeelde] een compliment en hoopt dat hij de positieve lijn kan voortzetten. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering. Het gaat goed met [minderjarige veroordeelde] . [minderjarige veroordeelde] heeft een baan bij de Kruidvat en daar heeft hij onlangs promotie gemaakt. Hij heeft veel gehad aan de therapieën. [minderjarige veroordeelde] is van plan om uit te stromen in [woonplaats] . Dit is dichter bij zijn familie in [plaats] . Hij ervaart van hen veel steun. [minderjarige veroordeelde] hoopt in [woonplaats] een frisse start te kunnen maken. [minderjarige veroordeelde] begrijpt dat de komende negen maanden nodig zijn om alles te regelen en de PIJ-maatregel af te ronden. De beoordeling Gelet op voormeld advies, het verhandelde in raadkamer en artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [minderjarige veroordeelde] eisen dat de PIJ-maatregel met negen maanden wordt verlengd. [minderjarige veroordeelde] heeft in de afgelopen periode hard gewerkt en een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt. [minderjarige veroordeelde] heeft goed meegewerkt aan de behandelingen en heeft zich in het bijzonder goed ingezet voor dramatherapie. Het positief afronden van deze behandelingen lijkt het gewenste effect te hebben. Het recidiverisico wordt op dit moment beoordeeld als ‘laag’ en bij het wegvallen van het huidige kader als ‘laag-matig’. De rechtbank maakt [minderjarige veroordeelde] hiervoor een groot compliment. [minderjarige veroordeelde] krijgt op dit moment binnen [jeugdinrichting] al veel vrijheden, waar hij ook goed mee omgaat. Zo gaat hij zelfstandig met de fiets naar zijn werk bij de Kruidvat. [minderjarige veroordeelde] heeft ter terechtzitting verteld over zijn promotie daar en de rechtbank ziet dat [minderjarige veroordeelde] hier – geheel terecht – trots op is. De rechtbank hoopt dat [minderjarige veroordeelde] deze positieve ontwikkeling ook op de plek waar hij gaat uitstromen doorzet. Die nieuwe situatie zal ongetwijfeld uitdagingen met zich brengen. De rechtbank vindt het positief dat [minderjarige veroordeelde] zelf ook inziet dat de komende negen maanden nog nodig zijn op tot een succesvolle afronding van de PIJ-maatregel te komen. De rechtbank gaat er op grond van de termijnbrief van 29 april 2025 van uit dat de maatregel, rekening houdend met het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafvordering en behoudens verlenging, voorwaardelijk eindigt op 5 juli 2026. De beslissing De rechtbank: wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [minderjarige veroordeelde] met 9 (negen) maanden. Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door mr. K.M. van Hassel, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en E. Diepraam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2025.