Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-27
ECLI:NL:RBAMS:2025:11408
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,922 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11408 text/xml public 2026-03-30T13:57:32 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-11-27 13/199082-25 en 13/122226-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11408 text/html public 2026-03-30T13:03:25 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11408 Rechtbank Amsterdam , 27-11-2025 / 13/199082-25 en 13/122226-25 Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot diefstal met bedreiging met geweld en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Verdachte wordt vrijgesproken van het opzettelijk voorhanden hebben van cocaïne en het medeplegen van diefstal of vernieling van een bromfiets. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 42 dagen, waarvan 31 dagen voorwaardelijk. Verder wordt aan verdachte een werkstraf opgelegd van 60 uren en een leerstraf SoCool van 40 uren. De inbeslaggenomen goederen worden onttrokken aan het verkeer. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummers: 13.199082.25 (zaak A) en 13.122226.25 (zaak B) Datum uitspraak: 27 november 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, wonende te [adres] . 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 november 2025. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. Smilde en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. de Wit, die waarneemt voor mr. C.H. van Keulen, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] , namens William Schrikker Stichting (hierna: WSS) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: Zaak A: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een telefoon van [aangever] op 29 juni 2025 te Amsterdam door - zich naar de woning van die [aangever] te begeven om via marktplaats een telefoon te kopen en/of - die van die [aangever] ontvangen telefoon in verdachtes, broekzak te steken en/of - in die woning een (nep)vuurwapen op die [aangever] te richten of te tonen en/of - tegen die [aangever] te roepen: “Let me go, I have a gun if you don’t let me go I will shoot you”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; subsidiair ten laste gelegd als poging tot diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een telefoon van [aangever] op 29 juni 2025 te Amsterdam; meer subsidiair ten laste gelegd als verduistering van een telefoon van [aangever] op 29 juni 2025 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: afpersing van een telefoon van [aangever] op 29 juni 2025 te Amsterdam door - zich naar de woning van die [aangever] te begeven om via marktplaats een telefoon te kopen en/of - die van die [aangever] ontvangen telefoon in verdachtes, broekzak te steken en/of - in die woning een (nep)vuurwapen op die [aangever] te richtenof te tonen en/of - tegen die [aangever] te roepen: “Let me go, I have a gun if you don’t let me go I will shoot you”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; subsidiair ten laste gelegd als poging tot afpersing van [aangever] op 29 juni 2025 te Amsterdam; meer subsidiair ten laste gelegd als verduistering van een telefoon van [aangever] op 29 juni 2025 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: het voorhanden hebben van een wapen van de categorie III onder 1 Wet wapens en munitie, te weten een revolver van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22 knal omgebouwd naar .22 Long Rifle; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: het opzettelijk voorhanden hebben van ongeveer 1,02 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; Zaak B: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: medeplegen van een poging diefstal van een brom-/snorfiets van [naam 3] op 22 april 2025 te Diemen, door een voorwerp in het stuurslot te stoppen en te proberen het stuurslot te openen; subsidiair ten laste gelegd als medeplegen van vernieling van een brom-/snorfiets van [naam 3] op 22 april 2025 te Diemen. De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Zaak A 4.1.1. Feit 1 en Feit 2 4.1.1.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde poging afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hoewel verdachte de telefoon feitelijk al tot zijn beschikking heeft gehad en het daardoor ook kan worden aangemerkt als een voltooide afpersing, heeft verdachte ook weer snel de controle over de telefoon en het wapen verloren, zodat slechts de poging bewezen kan worden. 4.1.1.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van een voltooide diefstal met geweld. Het is slechts gebleven bij een poging, nu niet kan worden geconcludeerd dat verdachte de telefoon al zodanig buiten het ruimtelijk bereik of de invloedssfeer van de aangever heeft gebracht dat van een voltooide diefstal kan worden gesproken. De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, de (poging tot) afpersing. Er is geen sprake van het dwingen tot afgifte van de telefoon. 4.1.1.3. Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft bekend de telefoon van aangever in zijn eigen zak te hebben gestopt, waarna hij het wapen heeft laten zien en bedreigingen heeft geuit, om weg te komen. De rechtbank stelt vast dat de aangever niet meer over zijn telefoon kon beschikken toen verdachte die in zijn zak stopte. Vrijwel direct daarna is echter in de woning van aangever een worsteling ontstaan tussen de aangever en de verdachte. Verdachte verloor hierbij de controle over het wapen en werd - nadat de aangever de politie had gebeld - na korte tijd aangehouden, waarbij de telefoon terug is gegaan naar aangever. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de mobiele telefoon nog niet (volledig) aan de heerschappij van aangever was onttrokken en dat daarom niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van een voltooide diefstal. De rechtbank concludeert dat sprake is van een poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde nu zij het feitencomplex kwalificeert als poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen. Er is geen sprake van het dwingen tot afgifte van de telefoon. 4.1.2. Feit 3 De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. 4.1.3. Feit 4 4.1.3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De cocaïne is gevonden op de slaapkamer van verdachte en dit moet hij hebben geweten. 4.1.3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Volledig
Er was geen opzet op het aanwezig hebben van 1 gram cocaïne. In die periode kwamen er veel vrienden in de kamer van verdachte. Er kan niet geconcludeerd worden dat verdachte kennis heeft gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen in zijn kamer, mede gelet op het feit dat de verdovende middelen in de prullenbak zijn aangetroffen. 4.1.3.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde feit. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is nodig dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van die verdovende middelen, althans tenminste van de aanmerkelijke kans van de aanwezigheid daarvan. De verdovende middelen zijn aangetroffen in de slaapkamer van verdachte bij zijn moeder thuis, meer specifiek in een prullenbak daar. Verdachte heeft verklaard dat er in die periode vaak vrienden bij hem op zijn kamer kwamen en dat hij niet wist dat er drugs in zijn prullenbak lagen. Gelet op de plaats waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, namelijk de prullenbak, en de verklaring van verdachte daarover kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte kennis heeft gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Verder zijn er geen concrete aanwijzingen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn woning verdovende middelen werden bewaard. Aangezien niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van, en daarmee opzet had op het aanwezig hebben van de in de woning aangetroffen verdovende middelen, wordt verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken. 4.2. Zaak B 4.2.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er wordt gezien dat vier jongens met een brommer bezig zijn midden in de nacht. Nadat de politie hierover is gebeld, rennen de jongens weg. Verdachte wordt vervolgens aangehouden. Verdachte heeft gezegd dat hij daarvoor met drie andere jongens was. Daarnaast wordt een tas met inbreekwerktuigen gevonden. 4.2.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is. De aangever had zijn brommer voor het laatst gezien een dag voordat de schade is geconstateerd. Daarnaast heeft de melder niet waargenomen wat de jongens precies bij de scooter deden. Tot slot heeft de melder geen specifieke signalementen of andere onderscheidende kenmerken van de jongens kunnen geven, waardoor niet zonder redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat het verdachte is geweest die rondom die brommer stond. Bovendien ontkent verdachte het feit. 4.2.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat het verdachte is geweest die bij de brommer heeft gestaan. De jongens die rondom de scooter stonden, zijn na de melding uit het oog verloren. Verdachte wordt vervolgens pas ruim een half uur na de melding aangehouden. Als het wel verdachte is geweest die samen met andere jongens bij de brommer heeft gestaan, dan is bovendien niet duidelijk wat daarbij zijn rol is geweest. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat ten aanzien van het onder 1 (subsidiair) ten laste gelegde: hij op 29 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon, die aan [aangever] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen en te doen volgen van bedreiging met geweld tegen die [aangever] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - zich naar de woning van die [aangever] heeft begeven om via marktplaats een telefoon te kopen en - die van die [aangever] ontvangen telefoon in zijn verdachtes zak heeft gestoken en - in die woning een vuurwapen op die [aangever] heeft gericht en - tegen die [aangever] heeft geroepen: “Let me go, i have a gun if you don’t let me go I will shoot you”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: hij op 29 juni 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22 knal omgebouwd naar .22 Long Rifle zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad. 6 Bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 7 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9 Motivering van de straffen en maatregelen 9.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie eist een jeugddetentie 6 weken, waarvan 31 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die golden tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarnaast eist de officier van justitie op te leggen de leerstraf SoCool van 40 uren en een werkstraf van 140 uren. 9.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om conform het advies van de Raad geen jeugddetentie op te leggen, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsvrouw heeft verzocht om de hoogte van de eis ten aanzien van de werkstraf te matigen. De raadsvrouw ziet wel in dat verdachte gebaat is bij de leerstraf zoals geadviseerd door de Raad. De raadsvrouw vraagt de rechtbank om naast een onvoorwaardelijke taakstraf nog een korte voorwaardelijke taakstraf op te leggen, aangezien verdachte ook gebaat is bij de voorwaarden zoals geadviseerd. 9.3. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf en het bepalen van de maatregel laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte, zoals die onder meer naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld. Verdachte heeft daarbij een echt vuurwapen gebruikt. Hoewel er op het moment van de poging tot diefstal in dit vuurwapen geen munitie aanwezig was, moet deze dreiging voor de aangever erg beangstigend zijn geweest. Dat de diefstal van de telefoon niet voltooid is, is te danken aan het kordate optreden van de aangever. De aangever heeft verdachte, terwijl verdachte met een wapen in zijn hand stond waarvan de aangever in beginsel niet wist of die geladen was, weten te overmeesteren. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk bij het slachtoffer, maar ook voor de samenleving als geheel.
Volledig
De verdachte heeft met die gevoelens kennelijk geen rekening gehouden. Met dit handelen heeft verdachte bovendien laten zien weinig respect te hebben voor het eigendom van anderen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij enkel aan zijn eigen (financieel) gewin heeft gedacht. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 14 oktober 2025 waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages van de WSS en de Raad die over verdachte zijn opgemaakt ten behoeve van de voorlopige hechtenis. De Raad en de WSS hebben ter zitting nader geadviseerd. De Raad adviseert een leerstraf SoCool op te leggen van in totaal 40 uur. Verdachte kan tijdens die leerstraf meer sociale vaardigheden aanleren. Daarnaast adviseert de Raad om nog een voorwaardelijke taakstraf op te leggen, aangezien het belangrijk is dat de voorwaarden die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis aan verdachte zijn opgelegd door blijven lopen. Het is belangrijk dat verdachte naar school en stage blijft gaan. Ook is het belangrijk dat verdachte mee blijft werken aan de IPA- dan wel IFA-coach. Bij de inzet van een IFA-coach is de begeleiding intenser en frequenter, wat mogelijk beter bij verdachte aansluit. Tot slot moet verdachte meewerken aan het vinden en behouden van vrijetijdsbesteding. De WSS heeft naar voren gebracht dat de begeleiding van verdachte in het begin moeizaam verliep. Er is toen een officiële waarschuwing gegeven. Verdachte heeft zich voor zover mogelijk hierna herpakt. Verdachte gaat nu vaker naar school en heeft sinds kort een baantje. De WSS is van mening dat er voor verdachte nog wel een verplicht kader nodig is, aangezien dit hem verder zal helpen. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij hoopt dat er een IFA-coach komt voor verdachte, zodat hij intensiever begeleid wordt. Verdachte is hierbij gebaat. Straf De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de landelijke richtlijnen en naar vergelijkbare zaken. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van meerdaadse samenloop. Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie voor de duur van 42 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moeten bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank bepaalt dat 31 dagen van de jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank verbindt aan dit voorwaardelijke strafdeel de voorwaarden zoals door de deskundigen geadviseerd. Verdachte is gebaat bij verdere begeleiding van de hulpverlening. De rechtbank legt daarnaast nog een taakstraf op van 100 uren in de vorm van een leerstraf SoCool van 40 uren en een werkstraf van 60 uren. 10 Beslag Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen: 4 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2025160136-G6676007); 8 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025160136-G6676006); 1 STK Revolver (Omschrijving: PL1300-2025160136-BZAN2290). De rechtbank is van oordeel dat de voorwerpen moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het bewezenverklaarde is begaan met de 1 STK Revolver en dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De 4 STK munitie en 8 GR Verdovende Middelen zijn in dit onderzoek naar verdachte aangetroffen en voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet of het algemeen belang. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslising. Spreekt verdachte vrij van hetgeen in zaak A onder 2 en 4 en in zaak B aan verdachte ten laste is gelegd. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak A onder 1 subsidiair en onder 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Zaak A ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde: poging diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 42 dagen. Beveelt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 31 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren bestaande uit een leerstraf SoCool voor de duur van 40 uren en uit een werkstraf voor de duur van 60 uren. Beveelt dat, als verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich houdt aan zijn school/stage rooster; - meewerkt aan de hulpverlening en begeleiding van de IPA dan wel IFA-coach (zolang de WSS dit nodig acht); - meewerkt aan het (vinden en) behouden van een positieve vrijetijdsbesteding; - meewerkt aan alle hulpverlening die de WSS noodzakelijk acht; waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De veroordeelde is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Onttrekt aan het verkeer: - 4 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2025160136-G6676007) - 8 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025160136-G6676006) - 1 STK Revolver (Omschrijving: PL1300-2025160136-BZAN2290) Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. K. Oldekamp-Bakker, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. A.M. Loots en C. Bruil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2025. [--]