Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-04
ECLI:NL:RBAMS:2025:11403
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,749 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11403 text/xml public 2026-04-02T10:01:11 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-11-04 13/357047-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11403 text/html public 2026-04-01T15:43:39 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11403 Rechtbank Amsterdam , 04-11-2025 / 13/357047-24 Jeugdstrafrecht. Verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 en feit 5. Verdachte wordt veroordeeld voor het openlijk plegen van geweld, bedreiging met zware mishandeling en het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet. Aan verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 86 dagen met aftrek van het voorarrest. Inbeslaggenomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer en een schroevendraaier wordt teruggegeven. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.357047.24 Datum uitspraak: 4 november 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007, inschrijfadres in de Basisregistratie Personen: [inschrijfadres], feitelijk verblijvende: [verblijfadres]. 1 Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 21 oktober 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. de Wit naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker de Raad], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker WSS], namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), [medewerker Indaad] als ambulant begeleider namens Indaad en door de vader van verdachte naar voren is gebracht. Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. R. van den Berg namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: primair: poging tot doodslag van [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam, door meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp stekende en/of prikkende bewegingen te maken in de richting van de (onder)rug; subsidiair als: zware mishandeling van [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam; meer subsidiair als: poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam; meest subsidiair als: mishandeling van [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: openlijke geweldpleging tegen [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam, door - meermalen, althans eenmaal met een scherp en/of puntig voorwerp in de (onder)rug, althans het lichaam te steken en/of te prikken, tengevolge waarvan [benadeelde partij] een verwonding heeft opgelopen en/of -meermalen, althans eenmaal op/tegen/in het hoofd en/of gezicht te slaan, althans tegen het lichaam en/of - ( vervolgens) een of meerdere personen te bellen en/of deze personen te verzoeken om hem, verdachte, te helpen en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal een grijpende beweging te maken en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal bij de armen vast te pakken en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal te duwen en/of te trekken tegen het lichaam en/of - ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal naar de grond te trekken en/of - ( vervolgens) (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet een schoppende en/of trappende beweging te maken en/of - ( vervolgens) (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond zit/ligt) meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet te schoppen/trappen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: primair: poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam, door meermalen, althans eenmaal een zwaaiende beweging te maken met een kettingslot/fietsslot in de richting (van het hoofd) van [benadeelde partij]; subsidiair als: bedreiging van [benadeelde partij] op 26 oktober 2024 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren althans aanwezig hebben van 6,53 gram cocaïne op 12 november 2024 te Amsterdam; ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne op 12 november 2024 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat het verdachte is geweest die met een scherp en/of puntig voorwerp stekende en/of prikkende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de onderrug van [benadeelde partij]. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie is van oordeel dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het steken met een scherp voorwerp in de onderrug en het schoppen/trappen tegen het hoofd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft net als de officier van justitie bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het steken met een scherp voorwerp in de onderrug en het schoppen/trappen tegen het hoofd. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt ten aanzien hiervan als volgt. De rechtbank leidt uit het dossier af dat er op 26 oktober 2024 geweld heeft plaatsgevonden gericht tegen aangever [benadeelde partij]. Aangever is hierbij gewond geraakt, namelijk een steekwond in de rug die gehecht moest worden. De reden voor dit geweld zou hebben gelegen in onenigheid tussen verdachte en aangever over een petje. Hoewel verdachte dit ontkent, stelt de rechtbank op basis van de twee in het dossier aanwezige getuigenverklaringen en de verklaring van de aangever, vast dat verdachte zijn vrienden voorafgaand aan het geweld heeft gebeld om te zeggen dat zij “hier” moesten komen. Verdachte deed dit nadat hij in een ruzie terecht was gekomen met [benadeelde partij]. Deze getuigenverklaringen worden ondersteund door de beelden waarop te zien is dat verdachte iets in zijn hand vast heeft en dit voorwerp vervolgens tegen zijn hoofd, ter hoogte van zijn oor, houdt. Op de beelden is vervolgens te zien dat verdachte achter [benadeelde partij] aan loopt, terwijl hij een kettingslot in zijn hand heeft en daar een zwaaiende beweging mee maakt. [benadeelde partij] rent weg van verdachte. Aansluitend komen uit verschillende richtingen meerdere personen aangerend die [benadeelde partij] volgen en proberen hem en/of zijn tas vast te pakken. Hierbij wordt een armbeweging in de richting van de rug van aangever gezien.
Volledig
Hierna wordt [benadeelde partij], door de medeverdachten, vastgegrepen en naar de grond getrokken en geschopt. Verdachte voegt zich hier ook bij, maakt een beweging met zijn arm richting [benadeelde partij] en schopt [benadeelde partij]. Gelet op het feit dat de verschillende geweldshandelingen zeer kort op elkaar volgden en deze geweldshandelingen het gevolg zijn van een conflict dat ontstond tussen verdachte en [benadeelde partij], beschouwt de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, het totaal aan (gewelds)handelingen als één geheel en in vereniging gepleegd. Verdachte heeft, door anderen op te roepen om ter plaatse te komen en [benadeelde partij], nadat hij door de medeverdachten tegen de grond was gewerkt, te schoppen, een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan dit geweld. Anders dan de officier van justitie en raadsvrouw, acht de rechtbank bewezen dat [benadeelde partij] tijdens de openlijke geweldpleging eenmaal met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn (onder)rug is gestoken, ten gevolge waarvan [benadeelde partij] een verwonding heeft opgelopen. Hoewel niet duidelijk is op welk moment [benadeelde partij] precies gestoken is, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit tijdens de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden. [benadeelde partij] had immers voor het geweld nog geen (steek)verwondingen aan zijn onderrug, terwijl dit kort na het de openlijke geweldpleging wel het geval was. Partiële vrijspraak De rechtbank spreekt verdachte, conform de conclusie van de officier van justitie en de raadsvrouw, vrij van het schoppen/trappen tegen het hoofd omdat dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen. De officier van justitie heeft daarbij naar voren gebracht dat verdachte het slachtoffer had kunnen raken met het kettingslot en daarbij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarbij zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft geen zwaaiende beweging gemaakt, althans, het kettingslot is niet hoger gekomen dan heuphoogte. Er was geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Het subsidiair ten laste gelegde kan volgens de raadsvrouw worden bewezen, aangezien vaststaat dat verdachte een kettingslot in zijn hand had, waardoor een voor het slachtoffer bedreigende situatie is ontstaan. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank oordeelt – anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw – dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging zware mishandeling. De rechtbank stelt vast dat verdachte het kettingslot in zijn hand hield en daarmee achter [benadeelde partij] aanrende, maar verdachte heeft niet daadwerkelijk met het kettingslot van dichtbij naar [benadeelde partij] uitgehaald. De rechtbank is van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het is redelijkerwijs voorstelbaar dat [benadeelde partij] zich door deze situatie bedreigd heeft gevoeld. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het aanwezig hebben van 6,53 gram cocaïne wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verbalisanten hebben verdachte iets zien weggooien en precies op die plek zijn de drugs aangetroffen. Het standpunt van de verdediging Verdachte ontkent het feit te hebben begaan. De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd. Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het aanwezig hebben van 6,53 gram cocaïne wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verbalisanten hebben gezien dat verdachte tijdens het rennen zijn hand uitstak en iets weggooide. Vervolgens hebben andere verbalisanten op die plek een gripzakje gevonden met hierin meerdere bolletjes. Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat dit 6,53 gram cocaïne betrof. De rechtbank acht het onaannemelijk dat er precies op de plek waar de verbalisanten verdachte iets hebben zien weggooiden al drugs zouden hebben gelegen, zoals verdachte ter terechtzitting heeft gesuggereerd. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het medeplegen van de voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte had de beschikking over een fatbike en twee telefoons. Het is een feit van algemene bekendheid dat een voertuig gebruikt wordt bij de handel in verdovende middelen. Daarnaast worden de telefoons gebruikt voor het onderhouden van contact met dealers. Er zijn gripzakjes voor verdovende middelen gevonden en contant geld, wat als wisselgeld kan worden gebruikt. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de voorbereidingshandelingen. Het enkele feit dat verdachte op een fatbike rijdt is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring. Verdachte heeft bij de politie direct een verklaring afgelegd over het aangetroffen geld, maar hier is door de politie geen nader onderzoek naar gedaan. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw – van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen. Het voorhanden hebben van een fatbike, telefoons en geldbedragen, zoals ten laste gelegd, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat deze voorwerpen bestemd zijn tot het plegen van een feit zoals bedoeld in art. 10 lid 4 of 5 van de Opiumwet. Om te beoordelen of hiervan sprake is zal moeten worden gekeken naar alle relevante omstandigheden. De rechtbank constateert dat bij verdachte, zoals bewezenverklaard onder feit 4, in totaal 6,53 gram cocaïne is aangetroffen. Hoewel er, gelet op de hoeveelheid verdovende middelen en de wijze waarop dit was verpakt, sterke indicaties zijn dat dit niet bedoeld was voor eigen gebruik, vindt de rechtbank dit onvoldoende redengevende omstandigheden om te komen tot een bewezenverklaring van strafbare voorbereidingshandelingen. Van andere, ondersteunende, feiten en omstandigheden, is niet gebleken. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van dit ten laste gelegde feit.
Volledig
5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in vervatte bewijsmiddelen bewezen dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op 26 oktober 2024 te Amsterdam, openlijk, te weten op de Radarweg en het Orlyplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] door voornoemde [benadeelde partij] - met een scherp en/of puntig voorwerp in de (onder)rug te steken en/of te prikken, tengevolge waarvan [benadeelde partij] een verwonding heeft opgelopen en - een of meerdere personen te bellen en deze personen te verzoeken om hem, verdachte, te helpen en - een grijpende beweging te maken en - bij de armen vast te pakken en - te duwen tegen het lichaam en - naar de grond te trekken en - terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond ligt meermalen met geschoeide voet een schoppende beweging te maken en - terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond zit meermalen, met geschoeide voet te schoppen tegen het lichaam; ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: hij op 26 oktober 2024 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met zware mishandeling, door eenmaal een zwaaiende beweging te maken met een kettingslot in de richting van die [benadeelde partij]; ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: hij op 12 november 2024 te Amsterdam, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 6,53 gram cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 6 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen en maatregelen De eis van de officier van justitie De officier van justitie eist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 86 dagen met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw zal komen vast te zitten. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) voor de duur van twaalf maanden, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd. De vervangende jeugddetentie voor het geval verdachte niet aan de maatregel voldoet dient zes maanden te bedragen. De GBM dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit om een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om geen GBM op te leggen. De GBM is niet bedoeld voor de feiten waarvoor verdachte kan worden veroordeeld. De raadsvrouw begrijpt de zorgen die er over verdachte waren, maar heeft naar voren gebracht dat het op dit moment goed gaat met verdachte. Verdachte heeft zich lange tijd, in totaal negen maanden, aan voorwaarden moeten houden in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Bovendien moet verdachte, in het kader van een proeftijd naar aanleiding van een andere strafzaak, zich de komende tijd nog aan voorwaarden blijven houden en krijgt hij toezicht en begeleiding. Het oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf en het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank zich laten leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging op klaarlichte dag. Na een confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer, is het slachtoffer belaagd door een groep . Het slachtoffer is op de grond terechtgekomen en door meerdere personen geschopt. Verdachte is daarbij gewond geraakt, aangezien hij ergens gedurende deze openlijke geweldpleging in zijn onderrug gestoken is met een scherp voorwerp. Verdachte heeft door deel te nemen aan deze openlijke geweldpleging op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten van “zinloos geweld” hebben niet alleen gevolgen voor de directe slachtoffers, maar leveren, vanwege het feit dat deze in het openbaar zijn gepleegd, ook gevoelens van angst en onveiligheid op in de maatschappij. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met het feit dat verdachte een grote rol heeft gehad bij het geheel, aangezien hij degene is geweest die zijn vrienden via de telefoon heeft benaderd om “hier” te komen. Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 september 2025 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu verdachte na het plegen van onderhavige feiten veroordeeld is voor een leerstraf van 35 uur en een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder: een psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgemaakt door drs. J.A.E.M. van den Bosch, klinisch psycholoog op 21 mei 2025; de rapporten van de Raad, waaronder de meest recente van 11 september 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling. Uit het rapport van de psycholoog volgt dat er bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gedragsstoornis met oppositioneel- opstandige en antisociale kenmerken en gebruik van middelen. De psycholoog adviseert het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Een intensieve vorm van behandeling is wenselijk en noodzakelijk. Geadviseerd wordt om een GBM op te leggen. De Raad sluit zich aan bij het advies van de psycholoog. Het recidiverisico is hoog. Verdachte heeft strikte regels, sturing en begeleiding nodig om de noodzakelijke stappen te zetten en daarmee het recidiverisico te verminderen. De Raad adviseert aan verdachte de GBM op te leggen voor de duur van één jaar. De WSS heeft naar voren gebracht dat verdachte eerder niet open stond voor behandeling, maar dat dit veranderd is. Verdachte doet het de afgelopen periode goed. Hij houdt zich aan de afspraken en werkt goed mee. Straf Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat zoals door de officier van justitie is geëist een vrijheidsbenemende straf van 86 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf meegenomen dat verdachte zich gedurende een periode van (in totaal) ruim acht maanden aan schorsingsvoorwaarden heeft moeten houden, waar hij de afgelopen periode goed aan mee heeft gewerkt. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat verdachte, vanwege een eerder opgelegde straf, de komende tijd nog toezicht en begeleiding zal krijgen. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, legt de rechtbank geen GBM aan verdachte op. De GBM is bedoeld voor jeugdige veelplegers met gedragsproblemen maar kan ook worden opgelegd in het geval de ernst van het begane misdrijf een GBM rechtvaardigt. Hoewel bij het opleggen van een GBM, minder dan bij de oplegging van een straf, de relatie tussen de ernst van het feit en de sanctie tot uitdrukking moet worden gebracht overweegt de rechtbank als volgt. Binnen de GBM ligt de nadruk op intensieve programma’s die veel van verdachte vragen.
Volledig
Wanneer hier niet aan meegewerkt zou worden dient daar een vrijheidsbenemende straf tegenover te staan. De rechtbank oordeelt dat, gelet op de feiten waarvoor verdachte wordt veroordeeld, de termijn die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en de recente positieve ontwikkelingen binnen zijn lopende behandelingen, een GBM niet gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook acht geslagen op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De benadeelde partijen De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 4.460,50, bestaande uit € 960,50 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de vordering ten aanzien van het materiële gedeelte niet toewijsbaar, aangezien het steken volgens de officier van justitie niet bewijsbaar is en dus de schade als gevolg daarvan niet bij verdachte kan verhaald. De officier van justitie acht de vordering voor de immateriële schade toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Aangezien het steken volgens de officier van justitie niet bewezen kan worden, vindt zij het voorstelbaar dat het bedrag wordt gematigd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het materiële gedeelte van de vordering is niet onderbouwd. Er is onvoldoende aangetoond dat de benadeelde partij op die dag de genoemde kleding droeg en de aankoopbonnen daarvan ontbreken. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de immateriële schade naar voren gebracht dat dit niet op verdachte kan worden verhaald. De schade is ontstaan door de steekwond, maar verdachte is hier niet verantwoordelijk voor. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij materiële en immateriële schade heeft geleden. De rechtbank wijst een bedrag van € 2.576,50 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzesenzeventig euro en vijftig cent) toe. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft openlijk geweld gepleegd tegen [benadeelde partij]. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde partij, omdat hij door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, recht op een naar billijkheid vast te stelen vergoeding van de immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar. Hoewel de aankoopbon ontbreekt, acht de rechtbank een vergoeding voor het vest toewijsbaar. De schade aan het vest vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit. De rechtbank heeft immers bewezen dat [benadeelde partij] in zijn rug is gestoken, waardoor aannemelijk is dat het vest hierdoor kapot is gegaan. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de benadeelde partij. De rechtbank vindt het gevorderde bedrag, rekening houdend met de afschrijving, redelijk. De rechtbank wijst een bedrag van € 76,50 aan materiële schade toe. De rechtbank zal de vorderingen ten aanzien van de broek en schoenen van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu onvoldoende vast staat dat er schade aan deze kledingstukken is en dat deze voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De vordering wordt hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 26 oktober 2024. In het belang van de benadeelde partij [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ter hoogte van € 2.576,50, - aan materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 oktober 2024). Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. 10 Beslag Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen: 1 STK Schroevendraaier (Omschrijving: PL1300-2024256672-G6580753, rood met geel); 30 STK Verdovende Middelen (omschrijving: PL1300-2024270782-G6580480, wit poeder). Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schroevendraaier teruggegeven kan worden aan verdachte en dat de verdovende middelen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen goederen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de beslagene (verdachte) van de schroevendraaier, omdat niet is vastgesteld dat deze schroevendraaier verband houdt met het strafbare feit waarvoor verdachte is veroordeeld. De verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, dan wel met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 141, 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 en feit 5 ten laste gelegde. Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde: openlijke geweldpleging ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde: bedreiging met zware mishandeling ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 86 (zesentachtig) dagen. Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Onttrekt 30 STK Verdovende Middelen (omschrijving: PL1300-2024270782-G6580480, wit poeder) aan het verkeer. Gelast de teruggave van 1 STK schroevendraaier (omschrijving: PL1300-2024256672-G6580753, rood met geel) aan verdachte. Benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.576,50 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzesenzeventig euro en vijftig cent), bestaande uit € 2.500,- immateriële en € 76,50 materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade (26 oktober 2024) tot aan de dag van algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Veroordeelt verdachte aan voornoemd [benadeelde partij] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.