Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-09-12
ECLI:NL:RBAMS:2025:11363
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,687 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11363 text/xml public 2026-03-13T15:20:02 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-09-12 13/154008-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11363 text/html public 2026-03-12T14:17:34 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11363 Rechtbank Amsterdam , 12-09-2025 / 13/154008-25 Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Oplegging ISD-maatregel. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/154008-25 Datum uitspraak: 12 september 2025 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieplaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit (verkort) vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.G. Meijer, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 19 mei 2025 te Amsterdam één of meerdere flessen olijfolie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 3 Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte: op 19 mei 2025 te Amsterdam meerdere flessen olijfolie die geheel aan de [winkel] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 4 Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht. 5 De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders 7.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte geen ISD-maatregel op te leggen. Verdachte wil zo snel mogelijk Nederland verlaten om bij zijn grootmoeder in Litouwen te gaan wonen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Verdachte heeft door de flessen olijfolie te stelen blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van aangever. Daarbij komt dat winkeldiefstallen hinderlijke feiten zijn die naast overlast en schade voor de winkel ook hinder veroorzaken voor winkeliers. De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils van 13 augustus 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: Er is sprake van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Sinds 2024 pleegt verdachte winkeldiefstallen en is hij meerdere keren veroordeeld. Verdachte voldoet aan de harde criteria van de ISD-maatregel. Verdachte zou circa één jaar geleden van Litouwen naar Nederland zijn gekomen om hier een bestaan op te bouwen. In Nederland zou verdachte verslaafd zijn geraakt aan heroïne en steelt hij om zichzelf van verdovende middelen te kunnen voorzien. Het ontbreekt verdachte in Nederland aan huisvesting, structureel/legaal inkomen en een structurele dagbesteding. Met zijn moeder en/of andere familieleden heeft hij geen contact. Ook ontbreekt het hem aan een steunend sociaal netwerk in Nederland. Hij zou zich voornamelijk omgeven met daklozen en gebruikers. De reclassering heeft beperkt zicht gekregen op het psychosociaal functioneren van verdachte. Hij geeft echter zelf aan geen problemen te ervaren op dit gebied. Verdachte verblijft momenteel in Nederland op basis van zijn EU-recht. Hij heeft daardoor verblijfsrecht in Nederland, maar komt beperkt in aanmerking voor sociale voorzieningen, zoals uitkeringen en de maatschappelijke opvang. Bovendien moeten EU-onderdanen zelfvoorzienend zijn, wat niet het geval is bij verdachte. Verdachte is van plan om een bankrekening te openen en via een uitzendbureau werk te vinden in Nederland. Hij wilt niet terugkeren naar Litouwen, omdat hij in Litouwen ook geen netwerk zou hebben en het land hem minder aantrekt. Verdachte zou namelijk vanaf zijn vierde tot ongeveer zijn 24e levensjaar in England hebben gewoond, alwaar hij niet meer mag zijn wegens delictgedrag. De reclassering acht het plan van verdachte onvoldoende haalbaar, wegens het gebrek aan opgebouwde sociale rechten in Nederland, het gebrek aan een sociaal vangnet, zijn middelengebruik en de instabiliteit op meerdere leefgebieden. Dit wordt onderschreven door Regenbooggroep locatie [locatie] . Daarnaast stelt [locatie] dat de kans op een zeer vroege terugval in middelengebruik toeneemt zodra hij terugkeert naar Amsterdam en zijn oude sociale netwerk weer oppakt. [locatie] vindt echter het punt van verdachte dat hij elders ook geen sociaal vangnet zou hebben terecht. Zij geven dan ook aan dat verdachte hulp nodig heeft bij eventuele terugkeer naar Litouwen voor het vinden van sociale ondersteuning. Gelet op dat verdachte op dit moment geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen, het feit dat verdachte volgens de reclassering niet in staat is om binnen afzienbare tijd zelfvoorzienend te worden, het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, verdachte niet vrijwillig wil terugkeren naar het land van herkomst en verdachte instabiliteit vertoont op vrijwel alle leefgebieden, ziet de reclassering geen andere mogelijkheid dan de onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren. Wegens het ontbreken van effectieve reclasseringsinterventies voor EU-burgers met onvoldoende binding met Nederland voldoet verdachte feitelijk dan ook aan de 'zachte' ISD criteria. De ISD-maatregel kan voor de duur van één of twee jaar worden opgelegd. De maatregel kan echter korter duren, afhankelijk van de houding van verdachte. Indien hij gemotiveerd is om terug te keren naar het land van herkomst, kan ambtshalve door de Minister van Veiligheid en Justitie de maatregel voortijdig worden beëindigd, namelijk op het moment dat de EU-onderdaan is uitgezet. Daarmee heeft verdachte enige mate van invloed op de duur van zijn maatregel. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 29 augustus 2025 reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] , verbonden aan Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils te Amsterdam, als deskundige gehoord. De reclasseringswerker heeft ter zitting verklaard dat zij bij het bovenstaande advies blijft, ook nu verdachte ter zitting heeft verklaard toch terug te willen keren naar Litouwen om bij zijn oma te gaan wonen. Binnen het kader van de ISD kan namelijk ook gewerkt worden aan een zogenoemde ‘zachte landing’ in Litouwen.
Volledig
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 21 mei 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 21 mei 2025 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de harde ISD-criteria. De rechtbank is verder van oordeel dat ook is voldaan aan de ‘zachte’ ISD-criteria. Gelet op het advies van de reclassering, en de bevestiging daarvan ter zitting door [reclasseringsmedewerker] , komt de rechtbank tot de conclusie dat het opleggen van een ISD-maatregel op dit moment de enige mogelijkheid is om de maatschappij te beschermen tegen de delicten die verdachte pleegt en om het recidiverisico terug te brengen. Uit het reclasseringsadvies is gebleken dat verdachte op vrijwel alle leefgebieden problemen ervaart en dat, als hij zonder enige vorm van hulpverlening terugkeert in de maatschappij, het recidiverisico hoog zal zijn. Het nieuwe plan van verdachte om na vrijlating terug te keren naar Litouwen is erg pril en niet onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de maatschappij om tegen de door verdachte gepleegde misdrijven beschermd te worden, prevaleert. Alles overwegend ziet de rechtbank reden om de ISD-maatregel op te leggen aan verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze maatregel voorwaardelijk op te leggen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er geen goed onderbouwd plan ligt om verdachte te ondersteunen bij danwel verblijf in Nederland danwel terugkeer naar Litouwen. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. 8 De vordering benadeelde partij 8.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu uit de aangifte blijkt dat de schade veroorzaakt door de diefstal door [winkel] als bedrijf zelf bij verdachte verhaald zou worden. Onduidelijk is of dit al is gebeurd. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Daarnaast is er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel bij de vordering gevoegd, waaruit zou blijken dat [naam] gemachtigd is om namens de [winkel] een vordering in te dienen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De benadeelde partij, [naam] namens [winkel] , vordert € 181,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Bij de vordering is geen uittreksel van de Kamer van Koophandel of een brief van [winkel] Natuurmark gevoegd waaruit blijkt dat [naam] gerechtigd is om [winkel] te vertegenwoordigen. Dat blijkt echter wel uit de aangifte. De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de benadeelde partij op deze formele grond wel ontvankelijk in de vordering. De vordering is echter onvoldoende onderbouwd. Het bedrag van 181 euro is een standaardbedrag dat wordt aangehouden door de Stichting SODA, maar voor de toewijzing van een civiele vordering in een strafzaak zal nadere onderbouwing moeten worden gegeven waaruit blijkt dat [winkel] deze schade heeft geleden door de tijd die gemoeid was met het wachten op de politie na aanhouding van verdachte, het doen van aangifte en het veiligstellen van camerabeelden. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dat levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen. 9 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht. 10 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: diefstal. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren . Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Langendoen, voorzitter, mr. H.E. Hoogendijk en mr. J.C.E. Krikke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2025.