Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-19
ECLI:NL:RBAMS:2025:11355
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,054 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11355 text/xml public 2026-03-13T15:08:04 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-11-19 13/220625-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11355 text/html public 2026-03-12T09:51:14 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11355 Rechtbank Amsterdam , 19-11-2025 / 13/220625-25 Verdachte heeft in het centrum van Amsterdam het slachtoffer geprobeerd te doden door hem met een mes in de borst ter hoogte van zijn hart te steken. Het slachtoffer heeft hierdoor een inwendige bloeding bij een long opgelopen en moest daaraan met spoed in het ziekenhuis worden behandeld. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij. vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/220625-25 Datum uitspraak: 19 november 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP adres] , gedetineerd in het [detentieplaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat verdachte, zijn raadsman, mr. T.P.A.M. Wouters en mr. J. de Haan namens de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 3 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan primair: poging tot doodslag op [slachtoffer] ; subsidiair: zware mishandeling van [slachtoffer] ; meer subsidiair: poging tot zware mishandeling aan [slachtoffer] . De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3 Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Hooguit kan tot bewezenverklaring worden gekomen van de meer subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 3 augustus 2025 in de ochtend heeft een ruzie plaatsgevonden op [straat] te Amsterdam tussen (onder meer) verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Daarbij heeft verdachte een mes gebruikt als gevolg waarvan [slachtoffer] letsel heeft opgelopen in de borststreek. Bewijsoverweging Uit de camerabeelden die op zitting zijn getoond in combinatie met hetgeen verdachte op de zitting heeft verklaard, blijkt dat een conflict is ontstaan tussen verdachte en zijn vriend [naam] enerzijds en een groep van meer personen (waaronder [slachtoffer] ) anderzijds. Op een zeker moment staat [naam] hoofd aan hoofd met [slachtoffer] . Daarbij valt de pet van [naam] van zijn hoofd. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte, die op dat moment schuin achter [naam] staat, een glimmend voorwerp uit zijn rechterbroekzak haalt en dit in zijn rechterhand houdt. Vervolgens loopt verdachte om twee overige leden van de groep van [slachtoffer] heen en geeft hij [slachtoffer] een klap tegen zijn gezicht. Daarna doet verdachte een paar passen naar achteren. Hij heeft een metaalkleurig voorwerp in zijn hand. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat dit het later inbeslaggenomen mes is. In reactie op de klap tegen zijn gezicht, gaat [slachtoffer] op verdachte af. Vervolgens is te zien dat verdachte met zijn linkerhand [slachtoffer] op afstand probeert te houden, terwijl hij tegelijkertijd met zijn rechterhand, met daarin het mes, een slaande beweging maakt naar de linkerborst van [slachtoffer] . Verdachte neemt eerst afstand en komt dan opnieuw op [slachtoffer] afgelopen met het mes nog steeds zichtbaar in zijn hand. [slachtoffer] geeft verdachte daarop een schop, en deinst daarna terug. Terwijl verdachte weer op [slachtoffer] komt aflopen, pakt [slachtoffer] een voorwerp (vermoedelijk een fles) uit de plantenbak en slaat dit kapot op de rand van de plantenbak. Vervolgens jaagt hij verdachte en [naam] weg met het voorwerp in zijn hand. Als [slachtoffer] het volgende moment terugloopt is op de camerabeelden een donkere plek zichtbaar op zijn linkerborst. Korte tijd daarna is [slachtoffer] in het ziekenhuis behandeld aan een steekverwonding. Uit de letselverklaring blijkt dat [slachtoffer] een steekverwonding links in de borstkas had, met inwendig een bloeding bij de long als gevolg (Haemathorax). Daarbij moest een drain worden geplaatst in de holte bij de long (een thoraxdrain) om het bloed te laten aflopen. Gebleken is dat het mes dat bij verdachte in beslag is genomen bloedsporen bevatte met DNA van [slachtoffer] op het lemmet en DNA sporen van verdachte op het heft. Uit het NFI rapport waarin het mes is onderzocht, blijkt dat het lemmet van het mes ongeveer 100 mm (10 cm) lang is. Op basis van het voorgaande feitencomplex komt de rechtbank tot de conclusie dat de verwondingen van [slachtoffer] zijn ontstaan doordat verdachte hem in ieder geval één maal heeft gestoken met het inbeslaggenomen mes. Poging doodslag De vraag is vervolgens hoe het steken met het mes in de borst van [slachtoffer] moet worden gekwalificeerd. Poging tot doodslag kan alleen bewezen worden verklaard, als de verdachte opzet heeft gehad op het overlijden van het slachtoffer. In het onderhavige geval is niet gebleken dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank kan wel voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] worden aangenomen. Het volgende is hiervoor van belang. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] als gevolg van de messteek in zijn borst kwam te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Uit het feitencomplex blijkt dat verdachte [slachtoffer] in ieder geval één keer heeft gestoken met een mes van ongeveer 10 cm lang. [slachtoffer] is daarbij daadwerkelijk geraakt in de borstregio. Op basis van de beelden, in combinatie met de aard van de verwonding, kan ook worden geconcludeerd dat het mes [slachtoffer] met kracht heeft geraakt. Duidelijk is immers te zien dat verdachte [slachtoffer] met zijn linkerhand tegenhoudt en met zijn rechterhand een slaande beweging maakt in de richting van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] met enige snelheid op hem af komt lopen. Uit de letselverklaring blijkt ook dat de messteek een verwonding heeft opgeleverd links in de borstkas, die dusdanig diep was dat deze een inwendige bloeding heeft veroorzaakt bij de long, met noodzakelijk medisch ingrijpen als gevolg. Ook de aard van het letsel rechtvaardigt dus de conclusie dat het mes [slachtoffer] met kracht heeft geraakt. Door een persoon met een dergelijk mes met kracht in de borstregio te steken ontstaat de aanmerkelijke kans dat je die persoon daarmee dodelijk raakt.
Volledig
In de borstkas bevinden zich immers vitale organen, zoals het hart en longen, en belangrijke aderen. Het is een algemene ervaringsregel dat deze delen van het lichaam dusdanig kwetsbaar zijn dat de aanmerkelijke kans bestaat dat, wanneer hierin met kracht een puntig mes van een zekere lengte wordt gestoken, dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Dat het om één messteek is gegaan en het letsel van [slachtoffer] achteraf nog enigszins lijkt te zijn meegevallen, zoals de raadsman heeft gesteld, doet daaraan niet af. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, kan het niet anders dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] als gevolg van de messteek zou komen te overlijden, heeft aanvaard. In het bijzonder weegt de rechtbank hierbij de omstandigheden mee dat verdachte het mes al geopend had op het moment dat [slachtoffer] op hem af kwam na de door verdachte gegeven eerste klap en dat verdachte het slachtoffer links in de borstkas heeft gestoken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. De rechtbank acht daarom de primair tenlastegelegde poging tot doodslag bewezen. 4 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: op 3 augustus 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] eenmaal met een mes in de borst(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van het feit Op de zitting heeft de raadsman bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een door [slachtoffer] ingezette aanval, waarbij verdachte zich heeft afgeweerd. Volgens de officier van justitie was geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding vanuit [slachtoffer] gericht tegen verdachte en/of [naam] en bestond daarom geen noodweersituatie. Verdachte was namelijk de agressor. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een situatie waarin verdachte zichzelf of [naam] moest verdedigen. Integendeel, verdachte is juist degene geweest die [slachtoffer] heeft aangevallen door hem een klap in het gezicht te geven. [slachtoffer] heeft daarop vervolgens gereageerd door met twee handen op verdachte af te komen. Verdachte had toen zijn mes al open geklapt. Verdachte hield [slachtoffer] met zijn linkerhand tegen en stak hem tegelijkertijd met zijn rechterhand (met een slaande beweging) in de borststreek. Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op noodweer niet slagen als de gedraging van de verdachte noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdediging, maar deze – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien . In het onderhavige geval geven de handelingen van verdachte zoals hiervoor beschreven op geen enkele manier blijk van een defensieve bedoeling. Zijn handelingen kunnen niet anders dan als aanvallend van aard worden gezien. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf en maatregel 7.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder rubriek 4 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van voorarrest. 7.2 Het strafmaatverweer De verdediging heeft, voor zover de rechtbank zou komen tot een strafoplegging, verschillende omstandigheden benoemd die moeten leiden tot een matiging van de strafmaat. De eerdere veroordeling voor een vergelijkbaar feit op het strafblad van verdachte kan niet als recidive worden meegenomen in de strafmaat nu het een feit van zes jaar geleden betreft en de veroordeling vijf jaar geleden onherroepelijk is geworden. Ook is niet gebleken dat verdachte en [naam] [slachtoffer] bloedend op de grond hebben achtergelaten, zoals [slachtoffer] zelf heeft verklaard. Ten slotte is van belang dat de verdediging twee dagen na het incident aan [slachtoffer] heeft voorgesteld om mediationtraject te volgen, wat [slachtoffer] heeft geweigerd. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft in het centrum van Amsterdam het slachtoffer [slachtoffer] geprobeerd te doden door hem met een mes in de borst ter hoogte van zijn hart te steken. [slachtoffer] heeft hierdoor een inwendige bloeding bij een long opgelopen en moest daaraan met spoed in het ziekenhuis worden behandeld. Dit is een zeer ernstig feit. Hieraan ging een woordenwisseling tussen de vriend van verdachte en een of meer leden van de groep waar [slachtoffer] mee was vooraf. Deze woordenwisseling heeft uiteindelijk geleid tot een confrontatie waarbij verdachte zelf de lont in het kruitvat heeft gestoken door [slachtoffer] uit het niets een klap te geven, terwijl hij vrijwel direct daaropvolgend een uitgeklapt mes in zijn hand had. Verdachte was dus met zijn handelen niet alleen aanstichter van de escalatie, maar was er klaarblijkelijk ook op uit om het mes te gebruiken en [slachtoffer] te verwonden. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en hem bewust pijn en letsel toegebracht. Dit heeft grote, blijvende gevolgen voor [slachtoffer] , zo is gebleken uit zijn slachtofferverklaring. [slachtoffer] wordt nog dagelijks herinnerd aan dit incident door het litteken op zijn borst. Ook heeft [slachtoffer] professionele hulp gezocht voor de behandeling in verband met posttraumatische stressstoornis als gevolg van het steken. Daarnaast voedt dit grove uitgaansgeweld de in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid. Zowel bij het slachtoffer in bijzonder, als bij omstanders in het algemeen. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld tot de maximale jeugddetentie voor een soortgelijk delict en dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Dat ondanks het aanbod van verdachte mediation tussen hem en [slachtoffer] niet van de grond is gekomen, neemt de rechtbank niet in zijn voordeel mee. Verdachte heeft op zitting namelijk laten merken het kwalijke van een mes meenemen en dit gebruiken niet in te zien. De compassie voor het leed dat hij [slachtoffer] heeft aangedaan, kwam bovendien op de rechtbank als niet gemeend over. Dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden acht.
Volledig
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvoering, aan de orde is. 8 Beslag Onder verdachte is het volgende in beslag genomen: 1 1 mes (met goednummer 6692533) 1 € 25,00 aan contant geld (met goednummer 6692580) De officier van justitie heeft verzocht om het mes aan het verkeer te onttrekken en het geldbedrag te verrekenen met het slachtoffer. Voor wat het mes betreft oordeelt de rechtbank dat, omdat met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte feit is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, dit voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Niet is gebleken dat het bewezenverklaarde feit is begaan met de onder verdachte in beslaggenomen € 25,-- of dat dit geldbedrag is verkregen door het bewezenverklaarde. Daarom zal de rechtbank de teruggaaf van dit bedrag aan verdachte gelasten. Op alle vermogensbestanddelen van verdachte is echter conservatoir strafvorderlijk beslag op grond van artikel 94a in verbinding met artikel 103 Wetboek van Strafvordering gelegd. Dus deze omstandigheid kan aan teruggave in de weg staan. 9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 1.032,81 aan vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De advocaat van de benadeelde partij heeft de vordering ter zitting nader toegelicht. De gestelde materiële schade bestaat uit: Eigen risico zorgverzekering € 342,81 Schoenen € 500,00 Ziekenhuisdaggeldvergoeding € 190,00 Totaal: € 1.032,81 De gevorderde immateriële schade is opgebouwd uit immateriële schade als gevolg van het lichamelijk letsel en immateriële schade als gevolg van psychisch letsel. Beide soorten immateriële schade zijn onderbouwd met stukken. De totale schade is aldus begroot op € 7.032,81. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevraagd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. 9.2 Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op het gevoerde noodweerverweer. Voor zover de rechtbank vindt dat de vordering voor toewijzing in aanmerking kan komen, betwist de raadsman de hoogte van zowel de materiële als de immateriële schadevergoeding. Voor wat betreft de materiële schadevergoeding stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schoenen niet onherstelbaar beschadigd zijn en blijkens het aankoopbewijs bovendien bijna vijf jaar oud waren, hetgeen een matiging rechtvaardigt van de schadevergoeding. Ook de ziekenhuisdaggeldvergoeding behoort niet voor toewijzing in aanmerking te komen, nu het hier gaat om forfaitaire kosten en de werkelijk gemaakte kosten niet zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding verzoekt de raadsman deze ook te matigen tot een bedrag van € 1.500,--. Verder kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een blijvend zichtbaar litteken. Ten slotte dient de immateriële schade te worden gematigd, nu de ontstane schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Daarom dient de immateriële schade op grond van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te worden verdeeld over verdachte en de benadeelde partij in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering van het eigen risico is voldoende onderbouwd. Ook de ziekenhuisdaggeld-vergoeding komt naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing in aanmerking, ondanks het feit dat het gaat om een forfaitaire vergoeding. Een forfaitaire vergoeding is immers bedoeld als inschatting van het te verwachten schadebedrag en daarom naar het oordeel van de rechtbank juist bij uitstek geschikt om een schadevergoeding vast te stellen. Over de gevorderde schadevergoeding voor de schoenen overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de schoenen daadwerkelijk onherstelbaar beschadigd zijn en dat de schoenen bovendien bijna vijf jaar oud zijn. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt het schadebedrag voor de schoenen met inachtneming van het voorgaande daarom vast op € 100,--. In totaal zal dus een vergoeding voor geleden materiële schade worden toegewezen tot € 632,81. Immateriële schade Verder is de rechtbank, gelet op de bij de vordering gevoegde foto’s van het letsel in samenhang bezien met de inhoud van het dossier, van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van de poging doodslag op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade vanwege het geestelijke en lichamelijke letsel dat hij heeft opgelopen. Het geestelijk letsel heeft de benadeelde partij onder meer onderbouwd met de doorverwijzing naar een psycholoog. De hoogte van het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding komt de rechtbank voor als een billijke vergoeding, gelet op de aard en omstandigheden van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer en gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen. Dat leidt tot de conclusie dat een schadevergoeding aan de benadeelde partij zal worden toegewezen tot € 632,81 aan vergoeding voor materiële schade en € 6.000,00 aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 6.632,81. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 mes met goednummer 6692533. Gelast de teruggave aan [verdachte] van een bedrag van € 25,-- met goednummer 6692533. Beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] : Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot € 632,81 (zegge: zeshonderdtweeëndertig euro en eenentachtig cent) aan vergoeding voor materiële schade en € 6.000,-- (zegge: zesduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.