Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-18
ECLI:NL:RBAMS:2025:11279
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,693 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11279 text/xml public 2026-03-20T17:09:30 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-18 C/13/771112 HA RK 25-203 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11279 text/html public 2026-03-16T14:09:02 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11279 Rechtbank Amsterdam , 18-12-2025 / C/13/771112 HA RK 25-203 Stichting Baltimore richt zich kort gezegd op het bevorderen van de ruitersport en het beschermen van de belangen van het paard in Nederland. De stichting is opgericht door de heer [naam 1], die in [overlijdensdatum] 2021 is overleden. [verzoeker] en [verweerder] zijn daarna als bestuurders benoemd. Zij verzoeken over en weer ontslag van de ander. Beide bestuurders kunnen worden gevolgd in de verwijten die zij aan elkaars adres maken. [verweerder] heeft gehandeld in strijd met het doel en het belang van de stichting en [verzoeker] in strijd met de wettelijke en statutaire bepalingen. Daar komt bij dat de stichting sinds hun aantreden geen activiteiten meer verricht, er wel een grote betaling is verricht waarvan niet is opgehelderd in hoeverre die in het belang van de stichting was en dat de twee bestuursleden zich inmiddels zodanig naar elkaar gedragen dat de verhoudingen binnen het bestuur ernstig verstoord zijn en zij niet meer in staat zijn om de stichting te besturen. Dit alles valt beide bestuurders aan te rekenen. Deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang in aanmerking genomen, vormen dan ook gewichtige redenen die ertoe moeten leiden dat zowel [verzoeker] als [verweerder] als bestuurder van de stichting moeten worden ontslagen. De rechtbank wijst een nieuwe bestuurder aan. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/771112 / HA RK 25-203 Beschikking van 18 december 2025 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats 1] , verzoeker, verweerder in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. L.Z. Bosman, tegen [verweerder] , te [woonplaats 2] , advocaat: mr. [verweerder] , verweerder, verzoeker in het tegenverzoek hierna te noemen: [verweerder] , en, als belanghebbende STICHTING BALTIMORE , te Amsterdam, hierna te noemen: de stichting. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ontvangen op 20 juni 2025, met producties 1 tot en met 18, - de beschikking van 24 juli 2025, waarin is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden, - de aanvullende producties 19 tot en met 23 van [verzoeker] , - de producties 1 tot en met 5 van [verweerder] , - het verweerschrift met een tegenverzoek van [verweerder] , met producties 6 en 7, - de akte wijziging verzoek van [verzoeker] . 1.2. Op 25 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zittingsaantekeningen van de griffier en de spreekaantekeningen van mr. Bosman bevinden zich in het dossier. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Bij akte van 4 december 1992 is de stichting opgericht. De stichting heeft tot doel het bevorderen van de ruitersport en het op breed maatschappelijk niveau verbreden van het inzicht in het belang van de ruitersport en het beschermen van de belangen van het paard in Nederland. Dat doel tracht de stichting volgens de statuten onder meer te bereiken door het doen van jaarlijkse schenkingen aan de stichting Paardekamp en door geld beschikbaar te maken voor de beoefening van de ruitersport door personen, die op grond van maatschappelijke positie of geestelijke en lichamelijke gesteldheid anders niet in aanraking komen met de ruitersport. 2.2. De stichting is opgericht door de vader van [verzoeker] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is op [overlijdensdatum] 2021 overleden. Omdat [naam 1] enig bestuurder van de stichting was, heeft de rechtbank na diens overlijden bij beschikking van 14 oktober 2021 [verzoeker] , op diens verzoek, en [verweerder] als bestuurders van de stichting benoemd. Zij zijn op grond van de statuten gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd. 2.3. [naam 1] heeft in zijn testament bepaald dat [verzoeker] zijn nalatenschap erft. De nalatenschap is omvangrijk en bestaat hoofdzakelijk uit diverse (verhuurde) onroerende goederen in [woonplaats 1] (hierna: de vastgoedonderneming), deels in eigendom van de vennootschappen Peldayne Holdings B.V. (Peldayne) en Lloyd’s ACS Beheer B.V. (Lloyd’s), waarvan [naam 1] de aandelen hield. Het testament bevat verder een zogenaamde tweetrapsmaking ten gunste van de stichting. Voor het geval [verzoeker] zonder nakomelingen overlijdt, is aan [verzoeker] de last opgelegd om alles wat van de nalatenschap onvervreemd en onverteerd is gebleven, aan de stichting uit te keren. Verder heeft [naam 1] in zijn testament bepaald dat al hetgeen [verzoeker] uit de nalatenschap verkrijgt onder testamentair bewind wordt gesteld (eindigend bij het overlijden van [verzoeker] ). 2.4. Op 13 september 2022 heeft de kantonrechter [verweerder] en [naam 2] samen als testamentair bewindvoerders benoemd. Bij beschikking van 9 september 2025 (zaaknummer 11695809 UB VERZ 25-193, niet gepubliceerd) heeft de rechtbank Midden-Nederland hen echter als testamentair bewindvoerder ontslagen op verzoek van [verzoeker] . In hun plaats heeft de rechtbank mr. J.P. Plasman (Plasman) en [naam 3] als testamentair bewindvoerder benoemd. Reden voor het ontslag van [verweerder] en [naam 2] is onder meer dat geen rekening en verantwoording is afgelegd over het gevoerde bewind en voorts dat zij nalatig zijn geweest in het (tijdig) uitvoeren van diverse administratieve verplichtingen die bij de taken van de bewindvoerder horen. Uit de beschikking volgt verder dat [verweerder] voor zijn werkzaamheden niet het door de kantonrechter bepaalde loon heeft gehanteerd, maar maandelijks een vast bedrag van € 50.000,- in rekening heeft gebracht. Volgens [verweerder] was dat conform afspraken met [verzoeker] en betrof een deel van diens werkzaamheden niet de werkzaamheden voor het testamentaire bewind, maar ‘privéwerkzaamheden’ voor [verzoeker] . [verweerder] is in die procedure in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na zijn ontslag duidelijk te maken welke werkzaamheden daaronder vallen en hoeveel tijd hij daaraan heeft besteed. 2.5. Op 29 maart 2022 heeft [verweerder] een bedrag van € 115.000,- overgemaakt van de bankrekening van de stichting naar een rekening van [verweerder] in privé, met als omschrijving ‘lening’. Op 31 maart 2022 is het bedrag weer teruggestort met omschrijving ‘aflossing lening d.d. 290322’. 2.6. Op 7 april 2022 is door de stichting een bedrag van € 7.457.400,-. aan de Belastingdienst betaald. 2.7. Op 14 november 2024 heeft de moeder van [verzoeker] , [naam 4] , namens [verzoeker] aan [verweerder] om een Whatsappbericht gestuurd met de volgende inhoud, voor zover van belang: ‘Dag [ [verweerder] ], [ [verzoeker] ] en ik geven aan de KvK de bestuurswijziging door van de stichting zodat hier straks geen probleem kan ontstaan bij verzoek opheffen bewind. (…) Jij krijgt van de KvK een mail ter accordering (...)’ Hierop heeft [verweerder] gereageerd als volgt: ‘Graag ook de adreswijziging doorgeven en houdt er rekening mee dat bij een geldopname, de Rabobank alle rekeningen kan beëindigen en eventueel ook OM kan informeren tenzij het aan paardjes wordt besteed. (…)’ 2.8. Twee dagen later heeft [naam 4] aan [verweerder] gemaild dat [verzoeker] van de Kamer van Koophandel een herinnering heeft gekregen over de ondertekening. Zij schrijft dat [verzoeker] aan [verweerder] vraagt om het document te ondertekenen via de link in het bericht van de Kamer van Koophandel. Hierop heeft [verweerder] in een e-mail van 18 november 2024 als volgt gereageerd: ‘(...) In ieder geval is er nochtans geen enkele reden voor mijn ontslag (…). Mijn rechterlijke benoeming als bestuurder van Baltimore staat volledig los van de erfenis en brengt voor mij verantwoordelijkheden als bestuurder mee, nu en in de toekomst.
Volledig
Een vrijwaring ter zake is niet goed denkbaar en indien wordt beoogd om de doelstelling van Baltimore na te leven, zie ik geen grondslag voor mijn ontslag. (…) Wij bespraken dan ook nimmer een tijdelijke functie voor mij en zoals gezegd, ontbreekt momenteel dus een zinnige reden voor ontslag. Sterker nog, toewijzing van het verzoek opheffing bewind kan daardoor juist minder kansrijk zijn (in de voormelde visie van de kantonrechter) (...)’ 2.9. Op 10 december 2024 heeft [verzoeker] aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgave gedaan van de uittreding van [verweerder] als bestuurder van de stichting, en op 16 december heeft hij opgave gedaan van een wijziging in zijn eigen bevoegdheid als bestuurder naar ‘alleen/zelfstandig bevoegd per 16-12-2024’. Daarnaast heeft [verzoeker] op 16 december 2024 ook opgave gedaan van de toetreding van zijn moeder, [naam 4] , tot het bestuur van de stichting, eveneens als ‘alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder per 16-12-2024’. 3 Het verzoek van [verzoeker] 3.1. Na wijziging, verzoekt [verzoeker] de rechtbank – samengevat – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair, [verweerder] te ontslaan als bestuurder van Baltimore; - subsidiair, [verweerder] te ontslaan en [naam 5] en mr. J.P. Plasman te benoemen als (tijdelijk) bestuurders van Baltimore; - primair en subsidiair, [verweerder] te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Het gedrag van [verweerder] is onverenigbaar met hetgeen van een behoorlijk bestuurder mag worden geëist. Als bewindvoerder heeft [verweerder] zichzelf in strijd met de beslissingen van de kantonrechter veel meer salaris toegekend dan was bepaald. Daarnaast heeft [verweerder] de stichting € 115.000,- aan zichzelf laten lenen, zodat er sprake is van ongeoorloofde belangenverstrengeling en van handelen in strijd met de statuten van de stichting. Hieruit volgt dat [verweerder] er een financiële moraal op nahoudt die maakt dat hij ongeschikt is als bestuurder van de stichting. Daarnaast zijn de verhoudingen tussen [verzoeker] en [verweerder] inmiddels verstoord en onwerkbaar en wordt de stichting niet meer bestuurd. Ten slotte legt [verweerder] binnen het bestuur geen deugdelijke verantwoording af. Ondanks verzoeken van [verzoeker] geeft [verweerder] geen inzicht in de bankrekeningen en administratie van de stichting. 3.3. Dit alles maakt dat [verweerder] zijn taken als bestuurder heeft verwaarloosd en dat dat sprake is van gewichtige redenen en van een ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap van [verweerder] in redelijkheid niet kan worden geduld. 4 Het tegenverzoek van [verweerder] 4.1. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft in een tegenverzoek verzocht om [verzoeker] als bestuurder van Baltimore te ontslaan en een andere bestuurder aan te wijzen, uitgezonderd de door [verzoeker] genoemde bestuurders. 4.2. [verweerder] legt aan het verzoek tot ontslag van [verzoeker] ten grondslag dat [verzoeker] [verweerder] zonder medeweten en toestemming heeft uitgeschreven uit het handelsregister, opgave heeft gedaan van zelfstandige bevoegdheid en van de toetreding van zijn moeder als bestuurder. Aan de opgaven van deze wijzingen lagen geen rechtsgeldige bestuursbesluiten ten grondslag, zodat dit in strijd met statuten en de wet was. 4.3. [verzoeker] voert verweer, waarop hierna nader wordt ingegaan. 5 De beoordeling in het verzoek en in het tegenverzoek 5.1. De vraag die voorligt is of [verweerder] en/of [verzoeker] als bestuurder van de stichting moeten worden ontslagen, zij verzoeken over en weer elkaars ontslag. De verzoeken lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Toetsingskader 5.2. De mogelijkheid van ontslag en schorsing van een bestuurder van een stichting is bij de rechter neergelegd, omdat een toezichthoudend orgaan op het bestuur veelal ontbreekt en in ieder geval niet bij wet is voorzien. Een bestuurder van een stichting kan worden ontslagen (i) wegens verwaarlozing van zijn taak, (ii) wegens andere gewichtige redenen, (iii) wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, of (iv) wegens het niet of niet behoorlijk vervullen aan een door de rechtbank of de voorzieningenrechter gegeven bevel (artikel 2:298 lid 1 BW). Bij de beoordeling van de verzoeken moet de rechtbank de nodige terughoudendheid in acht nemen, het is niet de bedoeling dat de rechter op de stoel van het bestuur plaatsneemt. Het ontslag van een bestuurder is een middel dat zwaar ingrijpt in de governance van de stichting en verstrekkende gevolgen heeft voor de bestuurder(s), mede gelet op het aan het ontslag verbonden bestuursverbod. Activiteiten van de stichting 5.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat [verzoeker] en [verweerder] sinds hun benoeming als bestuurder van de stichting geen activiteiten hebben verricht die bijdragen aan het verwezenlijken van het onder 2.1 genoemde doel van de stichting. Het verzoekschrift noch het verweerschrift maken melding van de paardensport en op welke wijze de bestuurders zich met de stichting hiervoor hebben ingezet of dit in de toekomst wensen te doen. Hiernaar gevraagd op de zitting, hebben beide bestuurders erkend dat de stichting een slapend bestaan leidde en dat er geen concrete plannen voor de toekomst zijn. 5.4. De rechtbank constateert dat de bankrekeningen van de stichting wel zijn gebruikt voor een lening aan [verweerder] (zie 2.5 hiervoor en onder 5.6 hierna) en voor een betaling van bijna 7,5 miljoen euro aan de belastingdienst (zie 2.6). Tijdens de zitting hebben partijen toegelicht dat deze betaling door de stichting is gedaan namens de twee vennootschappen Lloyd’s en Peldayne (zie 2.3). Voornoemde vennootschappen zouden op hun beurt vorderingen voor dit bedrag hebben gehad op de stichting, die op deze wijze zijn voldaan. Partijen hebben hier verder geen stukken van verstrekt en het is de rechtbank niet duidelijk ten titel waarvan de stichting een dergelijk omvangrijk bedrag aan voornoemde vennootschappen verschuldigd was, temeer omdat de stichting al geruime tijd geen activiteiten meer uitoefent. De afzonderlijke verwijten 5.5. [verzoeker] en [verweerder] hebben elkaar over en weer verschillende verwijten gemaakt die volgens hen reden voor ontslag van de ander zijn, die de rechtbank hierna zal bespreken. (i) Verwijten aan [verweerder] 5.6. [verzoeker] legt aan het verzoek tot ontslag van [verweerder] onder meer ten grondslag dat [verweerder] vanuit de stichting een geldlening aan zichzelf heeft verstrekt van € 115.000,- om in privé vastgoed aan te kopen zonder dat [verzoeker] van die lening op de hoogte was. 5.7. [verweerder] heeft erkend dat hij dit bedrag tijdelijk heeft geleend van de stichting en dat het ging om een ongedocumenteerde lening, zonder zekerheden. 5.8. De rechtbank volgt [verzoeker] in zijn betoog dat [verweerder] daarmee als bestuurder heeft gehandeld in strijd met het doel en belang van de stichting. [verweerder] heeft van zijn functie als bestuurder gebruik gemaakt om aan zichzelf in privé een verder ongedocumenteerde en ongedekte lening te verstrekken. [verweerder] heeft dit met zoveel woorden tijdens de zitting erkend, maar als verweer aangevoerd dat [verzoeker] van deze kortlopende lening op de hoogte was. Daargelaten dat [verzoeker] dit gemotiveerd heeft weersproken, kan in het midden blijven of hij van de lening op de hoogte was. Ook als [verzoeker] daarvan op de hoogte zou zijn geweest, doet dit onvoldoende af aan de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] . Ook dan blijft vaststaan dat één van bestuurders de stichtingsgelden heeft gebruikt om aan zichzelf een lening te verstrekken voor een privétransactie. Voor zover [verzoeker] hiervan op de hoogte was, zou dat betekenen dat beide bestuurders in strijd met het doel en belang van Baltimore hebben gehandeld.
Volledig
Dat de lening volledig is terugbetaald door [verweerder] betekent weliswaar dat de stichting geen schade heeft geleden, maar leidt er niet toe dat [verweerder] bij dit handelen om voornoemde redenen geen verwijt kan worden gemaakt. (i) Verwijten aan [verzoeker] 5.9. [verweerder] verwijt [verzoeker] dat hij wist dat [verweerder] niet wilde aftreden als bestuurder maar dat hij hem toch heeft uitgeschreven als bestuurder bij het handelsregister, dat hij vervolgens zichzelf als zelfstandig bevoegd bestuurder heeft geregistreerd en dat hij ook zijn moeder als zelfstandig bevoegd bestuurder heeft ingeschreven. 5.10. [verzoeker] heeft deze in- en uitschrijvingen bij het handelsregister niet bestreden. Wel heeft hij aangevoerd dat hij het Whatsappbericht van [verweerder] van 14 november 2024 (zie 2.7) zo heeft begrepen, dat [verweerder] wilde terugtreden als bestuurder. 5.11. Daar gaat de rechtbank niet in mee. De in-en uitschrijvingen hebben immers plaatsgevonden ná de e-mail van 18 november 2024 (zie 2.8), waaruit in duidelijke bewoordingen volgt dat [verweerder] niet terugtrad als bestuurder. Door toch de hiervoor genoemde wijzigingen in het handelsregister door te voeren ten aanzien van [verweerder] , heeft [verzoeker] gehandeld in strijd met de wettelijke en statutaire bepalingen die de benoeming en het ontslag van bestuurders regelen. Dat geldt ook voor de gelijktijdige inschrijving van zijn moeder als bestuurder, waarvoor een benoemingsbesluit ontbreekt, en de opgave van een ruimere vertegenwoordigingsbevoegdheid voor hem en zijn moeder als bestuurders. [verzoeker] en [verweerder] waren op grond van de statuten alleen gezamenlijk bevoegd (zie 2.2). Ontslag beide bestuurders 5.12. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat beide bestuurders gevolgd kunnen worden in de verwijten die zij aan elkaars adres maken. Gevolg is dat [verweerder] in strijd met het doel en belang van de stichting heeft gehandeld en dat [verzoeker] in strijd met de wettelijke en statutaire bepalingen van de stichting heeft gehandeld. Daar komt nog bij dat de stichting sinds hun aantreden geen activiteiten meer verricht, er wel een grote betaling is verricht waarvan niet is opgehelderd in hoeverre die in het belang van de stichting was en dat de twee bestuursleden zich inmiddels zodanig naar elkaar gedragen dat de verhoudingen binnen het bestuur ernstig verstoord zijn en zij niet meer in staat zijn om de stichting te besturen. 5.13. Dit alles valt beide bestuurders aan te rekenen. Deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang in aanmerking genomen, vormen dan ook gewichtige redenen die er toe moeten leiden dat zowel [verzoeker] als [verweerder] als bestuurder van de stichting moeten worden ontslagen. De overige aangevoerde redenen voor ontslag, waaronder de wijze waarop het testamentaire bewind is uitgevoerd - waarover de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland nog loopt, kunnen daarmee onbesproken blijven. Bestuursverbod 5.14. Artikel 2:298 lid 3 BW bepaalt dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, tenzij de bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat een disculpatiegrond als bedoeld in dit artikel zich hier voordoet. De rechtbank zal dan ook het bestuursverbod voor de duur van vijf jaren opleggen aan beide (oud-)bestuurders. Benoeming nieuwe bestuurder 5.15. Partijen hebben (subsidiair) verzocht dat de rechtbank overeenkomstig artikel 2:299 BW een bestuurder aanwijst. De rechtbank zal daartoe overgaan, omdat beide bestuurders worden ontslagen en de stichting niet overeenkomstig de statuten in een nieuw bestuur kan voorzien. 5.16. Tot uitgangspunt bij een benoeming als deze strekt dat de rechtbank daarbij voor zoveel mogelijk de statuten in acht neemt. De rechtbank zal niet overgaan tot de benoeming van mr. Plasman en/of [naam 5] . Ten aanzien van [naam 5] heeft [verweerder] terecht opgemerkt dat dit een familielid van [verzoeker] is en dat deze bestuurder in zoverre onvoldoende afstand tot [verzoeker] zou hebben. Diezelfde bezwaren gelden niet bij de benoeming van mr. Plasman. De rechtbank ziet op zichzelf ook geen bezwaar tegen de benoeming van mr. Plasman als persoon, maar zij hecht eraan om ditmaal een andere persoon dan de testamentair bewindvoerder te benoemen als bestuurder van de stichting. Op die wijze wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat de stichting onafhankelijk blijft van de vastgoedonderneming. 5.17. Omdat partijen verder geen andere personen hebben voorgesteld en de rechtbank onvoldoende zicht heeft op geschikte bestuurders op het vlak van instellingen die zich inzetten voor de ruitersport, zal de rechtbank een bestuurder benoemen die na diens aanstelling, in lijn met artikel 4.3 van de statuten onverwijld maatregelen kan treffen tot aanvulling van het aantal bestuurders tot drie in totaal. De rechtbank heeft hiertoe drs. [naam 6] bereid gevonden. Zij gaat ervan uit dat drs. [naam 6] het voornoemde voor 1 juli 2026 gerealiseerd zal kunnen hebben. De rechtbank zal bepalen dat de kosten van drs. [naam 6] tot en met 30 juni 2026 ten laste van de stichting gebracht kunnen worden. De kosten kunnen daarbij worden vastgesteld overeenkomstig de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling, waarbij wordt uitgegaan van tariefgroep iii zoals genoemd onder b van artikel 6.4. Aldus bedraagt het uurtarief per heden € 320,46 exclusief btw per uur. Proceskosten 5.18. Gelet op de uitkomst van de procedure worden de proceskosten gecompenseerd, zodanig dat [verzoeker] en [verweerder] ieder de eigen proceskosten dragen. Inschrijving handelsregister 5.19. Deze beschikking zal overeenkomstig artikel 2:302 BW door de griffier worden aangeboden voor inschrijving in het handelsregister. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. ontslaat [verzoeker] en [verweerder] als bestuurder van de stichting; 6.2. verstaat dat [verzoeker] en [verweerder] voor de duur van vijf jaren met ingang van vandaag geen bestuurder of commissaris van een stichting kunnen worden; 6.3. benoemt drs. [naam 6] tot bestuurder van de stichting en bepaalt dat haar kosten tot en met 30 juni 2026 op de wijze zoals onder 5.17 omschreven, ten laste van de stichting komen; 6.4. compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 6.5. bepaalt dat de griffier deze beschikking zodra deze onherroepelijk is geworden ter inschrijving zal aanbieden aan het handelsregister; 6.6. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.7. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.F. de Groot, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.