Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-09
ECLI:NL:RBAMS:2025:11156
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
5,593 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:11156 text/xml public 2026-03-12T14:02:33 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-12-09 AMS 25_6251 en AMS 25_6253 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11156 text/html public 2026-03-04T10:53:17 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11156 Rechtbank Amsterdam , 09-12-2025 / AMS 25_6251 en AMS 25_6253 Intrekking APK-erkenning en APK-keuringsbevoegdheid voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg - duur van sanctie onvoldoende gemotiveerd RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 25/6251 en AMS 25/6253 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2025 op de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te [plaats] , verzoeker(s)/eiser(s) (gemachtigde: mr. R.M.G. Sussenbach), en de directie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder (gemachtigde: mr. F. Thomas). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de besluiten waarin verweerder de APK-erkenning en de APK-keuringsbevoegdheid voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg heeft ingetrokken. 1.2. Met het besluit van 17 juli 2025 (het primaire besluit I) heeft verweerder de APK-erkenning voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor de duur van zes maanden. Met het besluit van 17 juli 2025 (het primaire besluit II) heeft verweerder de APK-keuringsbevoegdheid voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor de duur van zes maanden. 1.3. Met het besluit van 13 oktober 2025 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Met het besluit van 13 oktober 2025 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit II kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. 1.4. Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en daarnaast verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De voorzieningenrechter heeft de zaken op 27 november 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Ook zijn [persoon 1] en [persoon 2] namens verweerder verschenen. 1.6. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken beslist zij ook op de beroepen van verzoeker (hierna: eiser). Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk. Totstandkoming van de besluiten Wat is er aan de procedure voorafgegaan? 2. Eiser is eigenaar van het bedrijf [eiser 1] . Op 30 juni 2025 heeft een toezichthouder van verweerder het bedrijf van eiser bezocht in het kader van de uitvoering van toezicht. Bij de steekproefherkeuring van een voertuig is geconstateerd dat eiser agressief en intimiderend gedrag heeft vertoond jegens de steekproefcontroleur van verweerder. Daarnaast is de steekproefcontroleur belemmerd om weg te gaan door een derde persoon die zich op het terrein van eiser bevond. 3.1. Met het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de intrekking van de APK-erkenning van [eiser 1] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van zes maanden gehandhaafd. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat sprake is van een categorie IV overtreding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in beginsel van de juistheid van de verklaring van de steekproefcontroleur mag worden uitgegaan en dat aan de inhoud van een dergelijke verklaring sterke bewijskracht toekomt. Volgens verweerder heeft eiser geen bewijs verstrekt voor de stelling dat de steekproefcontroleur zich agressief jegens hem zou hebben gedragen of voor de stelling dat hij de steekproefcontroleur niet heeft uitgescholden en zich niet agressief jegens hem heeft gedragen. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser ook de verplichting heeft geschonden om in te grijpen op het moment dat derden bij het bedrijf van eiser zich intimiderend richting de steekproefcontroleur gedragen. Verweerder heeft zich bij het opleggen van de sancties gebaseerd op de Toezichtbeleidsbrief RDW 2021/2022 en stelt zich op het standpunt dat de verweten gedragingen de opgelegde sancties rechtvaardigen en dat de gevolgen van de sancties voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. 3.2. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid van eiser voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van zes maanden gehandhaafd. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat eiser zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend Verweerder stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit II per aangetekende post naar het bij verweerder bekende adres van eiser is verstuurd. Uit de gegevens van deze aangetekende verzending blijkt dat de aangetekende brief niet kon worden afgeleverd en vervolgens niet door eiser is afgehaald bij het postkantoor. Volgens verweerder komt dit voor rekening van eiser. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 4.1. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken om een voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of eiser een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. 4.2. Eiser heeft in beide zaken aangevoerd dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat het merendeel van de omzet van eiser afkomstig is uit APK-keuringen categorie 2. Eiser stelt dat het wegvallen van deze inkomsten leidt tot acute financiële problemen waardoor hij de loonkosten en financieringslasten van € 250.000,- voor een garageput niet kan betalen. Deze gevolgen zijn onomkeerbaar. Ook zorgt de intrekking van de keuringsbevoegdheid volgens eiser voor reputatieschade. 4.3. Eiser heeft in beroep een cijfermatige onderbouwing overgelegd van zijn financiële administratie. De overgelegde tabel geeft een overzicht van de gerealiseerde omzet van 2024 tot en met september 2025 van de APK-activiteiten van personenauto’s. De voorzieningenrechter overweegt dat eiser met deze cijfers en de toelichting ter zitting heeft aangetoond dat de APK-keuringen categorie 2 een substantieel deel van de omzet uitmaken en dat verzoeker hoge financiële lasten heeft, waaronder een huurpand en werknemers in dienst aan wie hij salaris moet doorbetalen. De voorzieningenrechter volgt eiser daarom in zijn standpunt dat de bestreden besluiten zwaarwegende financiële gevolgen voor hem hebben en dat er in het licht van deze feiten en omstandigheden sprake is van een spoedeisend belang. In de zaak met nummer AMS 25/6251 5.1. Eiser voert aan dat hem niet kan worden verweten dat hij irritatie heeft getoond jegens de steekproefcontroleur. Volgens eiser werd hij op een belerende manier behandeld. Eiser verwijst naar de camerabeelden van de steekproefcontrole en stelt zich op het standpunt dat uit de camerabeelden blijkt dat hij zich niet agressief of intimiderend jegens de steekproefcontroleur heeft gedragen. Eiser voert verder aan dat hij verantwoordelijkheid heeft getoond door de persoon die de autodeur van de steekproefcontroleur blokkeerde, uitdrukkelijk te hebben gezegd de steekproefcontroleur niet aan te spreken. Het incident heeft buiten het bedrijfspand van eiser plaatsgevonden en kan hem niet worden verweten. 5.2. Eiser voert daarnaast aan dat een deugdelijke belangenafweging ontbreekt. Volgens eiser zou een minder vergaande sanctie passender zijn geweest en zorgt deze sanctie ervoor dat de onderneming in acuut gevaar komt. Volgens eiser is dit onevenredig in verhouding tot de betwiste gedragingen. 6.1. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Volledig
Uit de verklaring van de steekproefcontroleur van 30 juni 2025 volgt dat hij de steekproef heeft gestaakt nadat hij tijdens de steekproefherkeuring meerdere keren door eiser is uitgescholden. Uit de verklaring blijkt onder meer dat toen de steekproefcontroleur aan eiser vroeg of het druk was, eiser daarop zei dat al die kankerlijers hem met rust moesten laten. Ook volgt uit de verklaring dat de steekproefcontroleur eiser de vraag stelde hoe hij de fuseekogels had beoordeeld omdat deze belast waren en dat eiser boos werd en heel boos zei dat de steekproefcontroleur zijn kankerwerk moest doen en dat de kankersteekproef verder moest gaan. De steekproefcontroleur heeft blijkens de verklaring aangegeven dat hij zich bedreigd voelde en dat hij zich hier niet goed bij voelde. Volgens de steekproefcontroleur ging eiser hierop in de aanval en schold hem uit met het woord kanker. Hierop heeft de steekproefcontroleur aangegeven dat hij zich niet veilig voelde en dat hij de steekproef ging staken. De steekproefcontroleur heeft vervolgens verklaard dat hij tijdens het weglopen door eiser werd uitgescholden dat hij moest oprotten en opkankeren uit zijn zaak. Uit de verklaring blijkt verder dat de deur van het voertuig van de steekproefcontroleur op de oprit van het bedrijf werd opengetrokken door iemand die zei dat hij de broer van eiser was en vroeg of de steekproefcontroleur verder wilde gaan met de steekproef. Nadat de steekproefcontroleur meerdere keren had gezegd dat hij zich niet veilig voelde, dat hij zich geïntimideerd voelde en weg wilde gaan, stapte de broer uit de deuropening en liet de steekproefcontroleur vertrekken. 6.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in beginsel van de juistheid van een verklaring van een steekproefcontroleur mag worden uitgegaan en aan de inhoud van een dergelijke verklaring een sterke bewijskracht toekomt. Een steekproefcontroleur heeft geen enkel belang bij een valse verklaring. De voorzieningenrechter overweegt dat het daarom aan eiser is om daar iets tegenover te stellen en te onderbouwen dat de verklaring van de steekproefcontroleur onjuist is. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter, op verzoek van eiser, de camerabeelden van eiser ten tijde van de steekproef in het pand samen met partijen bekeken. Het incident buiten het pand waarbij de steekproefcontroleur wilde vertrekken, staat niet op de camerabeelden. De voorzieningenrechter acht het inbrengen van de camerabeelden ter zitting niet in strijd met de goede procesorde omdat verweerder de beelden ook heeft kunnen bekijken samen met de steekproefcontroleur en daarop heeft kunnen reageren. De voorzieningenrechter overweegt dat de camerabeelden geen geluid bevatten terwijl de betwiste overtreding verbale agressie zou zijn. Op de camerabeelden is dan ook niet iets te zien wat de betwiste overtreding bevestigt of ontkracht. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich enkel kan baseren op de verklaringen van partijen en dat de voorzieningenrechter op grond van de vaste jurisprudentie van de Afdeling uitgaat van de verklaring van de steekproefcontroleur en dat er dus sprake was van een overtreding. 6.3. Nu eiser niet alle medewerking aan de steekproef heeft verleend, is sprake geweest van handelen in strijd met artikel 31, vijfde lid, en artikel 36 van de Regeling . Verweerder was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f van de WVW 1994 de erkenning in te trekken. 6.4. Uit de Toezichtbeleidsbrief RDW 2021/2022 volgt dat de hoogte van een sanctie in beginsel wordt bepaald door de categorie waarin een overtreding is ingedeeld. Hieruit volgt dat verbale agressie een categorie IV overtreding is en dat daarop in beginsel de sanctie van intrekking voor onbepaalde tijd staat. Verweerder heeft in het geval van eiser gekozen voor een intrekking voor de duur van zes maanden. Weliswaar is de opgelegde intrekking korter, en dus gunstiger voor eiser, dan wat volgt uit de Toezichtbeleidsbrief van verweerder, maar dat maakt niet dat daarmee de gekozen periode voldoende is gemotiveerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de sanctie evenredig is tot de overtreding en waarom is gekozen voor de duur van zes maanden. Volgens de Toezichtbeleidsbrief is het immers ook mogelijk om sancties van vier, zes of twaalf weken op te leggen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd toegelicht dat op basis van gevoel is gekozen voor de duur van zes maanden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarmee onvoldoende bezien of het niet verlenen van alle medewerking in dit geval zodanig ernstig was dat dit een zo verregaande sanctie als waarvan hier sprake is rechtvaardigt. Verweerder heeft in het bestreden besluit I slechts overwogen dat de intrekking in overeenstemming is met het door verweerder bekendgemaakte toezichtbeleid, nu er sprake is van een categorie IV overtreding. Verder is volstaan met de opmerking dat deze intrekking, gelet op de ernst van de overtreding, de afwezigheid van bijzondere feiten en/of omstandigheden en bij afweging van de betrokken belangen, als een evenredige en gerechtvaardigde sanctie is aan te merken. Verweerder is hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de gekozen duur van de sanctie ten opzichte van hetgeen in bezwaar door eiser over de gevolgen daarvan naar voren is gebracht. Conclusie in de zaak met nummer AMS 25/6251 7.1. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. 7.2. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). 7.3. Omdat het beroep gegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. In de zaak met nummer AMS 25/6253 8.1. Eiser voert aan dat hij het primaire besluit II van 17 juli 2025 over de keuringsbevoegdheid aantoonbaar niet eerder heeft ontvangen dan op 18 augustus 2025. Volgens eiser heeft verweerder impliciet ook erkend dat hij het besluit niet heeft ontvangen door het besluit op 18 augustus 2025 opnieuw te verzenden met een begeleidende brief met daarin de mededeling “om u alsnog te informeren”. Eiser stelt dat uit deze brief volgt dat verweerder heeft vastgesteld dat de eerdere verzending niet tot kennisneming heeft geleid. Door deze handelswijze heeft verweerder de gerechtvaardigde indruk gewekt dat de eerdere verzending niet tot een geldige bekendmaking heeft geleid en dat de bezwaartermijn pas op de datum van de kennisneming van de tweede verzending van het besluit, dus op 18 augustus begint te lopen. Eiser voert daarnaast aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens eiser is het bezwaarschrift slechts één dag na de bezwaartermijn ingediend en daarnaast kan een minimale overschrijding waarin het bestuursorgaan zelf onduidelijkheid heeft gecreëerd hem niet worden toegerekend. 8.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Om te beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard moet eerst worden onderzocht of verweerder het besluit van 17 juli 2025 op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, zodat op de dag daarna de bezwaartermijn is begonnen. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit door toezending of uitreiking van het besluit aan de belanghebbende. Als de bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending van het besluit is als regel de dag van de terpostbezorging van het besluit bepalend voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift.
Volledig
De regel dat met de terpostbezorging van het besluit de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt echter uitzondering als het poststuk de belanghebbende niet heeft bereikt als gevolg van een fout van het bestuursorgaan, zoals een verkeerde adressering die aan het bestuursorgaan te wijten is. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van het besluit op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. In dit geval is het echter niet aan een fout van verweerder te wijten dat het besluit onbestelbaar retour is gekomen, waardoor de voorzieningenrechter van oordeel is dat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dat betekent dat de bezwaartermijn is begonnen op de dag nadat verweerder het besluit van 17 juli 2025 aangetekend heeft verzonden. 9.1. In artikel 6:7 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Het bezwaar van eiser is op 29 augustus 2025 door verweerder ontvangen. Dat is buiten de bezwaartermijn van zes weken en dus te laat. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De voorzieningenrechter zal daarom onderzoeken of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was, waardoor verweerder het bezwaar alsnog in behandeling had moeten nemen. 9.2. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de envelop met het besluit van 17 juli 2025 niet op het adres van eiser is afgeleverd en onbestelbaar retour is gekomen bij verweerder. Uit de logistieke tijdlijn van PostNL blijkt dat de brief op 18 juli bij eiser is aangeboden maar dat aflevering niet is gelukt. In de periode van 21 juli 2025 tot en met 5 augustus 2025 heeft de brief bij een PostNL punt gelegen maar deze is niet opgehaald, waarna het retour afzender is gegaan. Met de brief van 18 augustus 2025 heeft verweerder het besluit van 17 juli 2025 opnieuw per post naar eiser gestuurd. 9.3. Eiser stelt dat hij geen afhaalbericht heeft ontvangen en heeft ter zitting uitgelegd dat er vaker problemen zijn rondom de postbezorging. Uit de logistieke tijdlijn is ook niet op te maken dat er daadwerkelijk een afhaalbericht is achtergelaten. De voorzieningenrechter ziet, in lijn met eerdere uitspraken van de Afdeling, daarom geen reden om eiser hierin niet te volgen. Daarom moet worden aangenomen dat het besluit niet op rechtmatige wijze op zijn adres is aangeboden. Eiser kon dus niet weten dat verweerder het besluit had genomen totdat hij bij brief van 18 augustus 2025 op de hoogte werd gesteld van het besluit. 9.4. Als de belanghebbende pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaartermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, moet een termijn van zes weken worden gehanteerd waarin de belanghebbende met het maken van bezwaar in ieder geval niet verwijtbaar te laat is. Verweerder heeft het bezwaar van eiser op 29 augustus 2025 ontvangen. Dat is binnen zes weken nadat hij van het besluit op de hoogte is gesteld en dus niet verwijtbaar te laat. Verweerder heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Conclusie in de zaak met nummer AMS 25/6253 10.1. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. 10.2. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). 10.3. Omdat het beroep gegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten I en II; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op de totaal betaalde griffierechten van € 388,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.628,-; wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Belhadi, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Algemene wet bestuursrecht. Eiser verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:885 en 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3102. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:885. Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK. Wegenverkeerswet 1994. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:84. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4527. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1406.