Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-11-06
ECLI:NL:RBAMS:2025:10926
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81/269726-23 Datum uitspraak: 6 november 2025 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ( hierna: verdachte of [verdachte] ) 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2025 en 23 oktober 2025. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.S. de Weijer en van verdachte en zijn raadsman mr. J. Keekstra naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten [bedrijf 1] (81/101577-22), [bedrijf 2] (81/270266-23), [bedrijf 3] (81/270294-23), [medeverdachte 1] (81/269467-23) en [medeverdachte 2] (81/311201-23). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken. 2 Inleiding [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn ondernemingen die zich richten op het kweken van de vlinderorchidee (Phalaenopsis), een potplant. Bij het kweekproces kan sprake zijn de vorming van potworm. Deze is schadelijk voor het kweekproces. Ter bestrijding daarvan heeft de onderneming het gewasbeschermingsmiddel Vydate 10g gebruikt. Dat was op dat moment een toegelaten middel, maar er golden wel gebruiksvoorschriften. De ondernemingen wordt verweten het middel in strijd met de voorschriften te hebben gebruikt en verdachte wordt verweten daar feitelijk leiding aan te hebben gegeven. 3 Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] in of omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen al dan niet opzettelijk meermalen heeft gehandeld in strijd met artikel 55 van de verordening (EG) 1107/2009, immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] Vydate 10G, althans een gewasbeschermings-middel niet op juiste wijze gebruikt door Vydate 10G te mengen met bulgur en dat na het oppotten van de orchideeën aan de bark toe te voegen en/of over de planten(potten) te verstrooien, zulks terwijl hij, verdachte) toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven. 4 Geldigheid van de dagvaarding 4.1. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard omdat onvoldoende duidelijk is tegen welke beschuldiging verdachte zich moet verdedigen. Het verweten onjuiste gebruik van Vydate 10G — in de tenlastelegging omschreven als: ‘niet op de juiste wijze gebruikt’ - is namelijk niet nader verfeitelijkt in de tenlastelegging. Daardoor is het verdachte niet duidelijk waarin dit onjuiste gebruik volgens de tenlastelegging concreet zou zijn gelegen. 4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging moet worden gezien in onderlinge samenhang met het dossier. Uit het dossier en de afgelegde verklaringen van verdachten blijkt onmiskenbaar dat zij precies weten over welke gedragingen het gaat. De verdenkingen zijn vanaf het eerste verhoor voorgehouden en uit de gevoerde inhoudelijke verweren valt op te maken dat duidelijk is wat hen wordt verweten. Tot slot heeft de officier van justitie onder verwijzing naar artikel 47 van de Wet op de economische delicten gesteld dat verfeitelijking in het geval van een economisch delict niet noodzakelijk is. 4.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van het tenlastegelegde voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. In de tekst is opgenomen waaruit het niet op juiste w De rechtbank stelt vast dat Vydate niet door middel van potgrondbehandeling vóór het oppotten, ofwel volgens het gebruiksvoorschrift, werd toegepast. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat voor de orchideeënteelt Vydate werd gemengd met bulgur en dat dit mengsel vervolgens over de planten werd gestrooid. [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), werknemer, heeft verklaard dat hij Vydate mengde met bulgur en vervolgens wekelijks het mengsel na het oppotten over de planten strooide. [medeverdachte 2] heeft verklaard deze werkwijze niet volgens het gebruiksvoorschrift van Vydate is. Aangezien [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het mengsel van Vydate en bulgur wekelijks over een nieuwe batch jonge plantjes strooide, stelt de rechtbank vast dat het feit meermalen is gepleegd. Het verweer dat geen sprake was van opzet door de ondernemingen op het handelen in strijd met artikel 55 van de Verordening wordt verworpen [medeverdachte 2] , die verantwoordelijk was voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen binnen de onderneming, wist dat hij niet volgens het gebruiksvoorschrift van Vydate handelde. Bij hem was er dus sprake van vol opzet. De directie van de ondernemingen wist hoe [medeverdachte 2] het middel gebruikte. Bij de ondernemingen was er daarom tenminste sprake van kleurloos opzet. Medeplegen De rechtbank is van oordeel dat bij het plegen van de verboden gedraging sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [medeverdachte 2] , waardoor sprake is van medeplegen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de Vydate met bulgur mengde op de locatie van [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] heeft eveneens verklaard dat het mengen op voornoemde locatie gebeurde. Verder volgt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat op zowel op de locatie van [bedrijf 2] als op de locatie van [bedrijf 1] Vydate gemengd met bulgur over de planten werd gestrooid. Op locatie [bedrijf 1] deed alleen [medeverdachte 2] dat en bij [bedrijf 2] werd het ook door [naam] (hierna: [naam] ) gedaan. Verder werden de planten volgens [medeverdachte 1] heen en weer gereden tussen de beide kwekerijen. Gelet op voornoemde werkwijze werden de beiden vennootschappen feitelijk niet uit elkaar gehouden. Pleegperiode Ten aanzien van de pleegperiode heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld het gebruik van Vydate reeds eind 2021 was gestaakt. Uit de verklaringen van verdachten volgt dat zij vanaf januari 2022 klamboes toepasten ter bestrijding van de potworm. De rechtbank is van oordeel dat is bewezen dat tot en met de dag van de inval op 16 september 2022 Vydate gemengd met bulgur over de planten werd gestrooid. [medeverdachte 1] heeft op de dag van de inval verklaard dat ze nu ter bestrijding van de potworm telen onder klamboes en dat ze Vydate daardoor niet meer nodig hebben. Verder heeft hij verklaard dat ze een jaar in de netten-teelt zitten en de potworm goed onder controle hebben en dat dus Vydate helemaal uitgefaseerd kan worden. Voorts heeft hij verklaard dat ze eerst nog wat wantrouwig waren en ze nog wel Vydate gebruikten om te corrigeren of als extra bescherming, maar dat ze er nu van overtuigd zijn dat ze volledig zonder het gebruik van Vydate kunnen. Verder is volgens [medeverdachte 1] op locatie [bedrijf 2] nog vrij recent Vydate gebruikt. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat op de locatie van [bedrijf 1] is gestopt met het gebruik van Vydate net voor de inval op 16 september 2022. Over [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 2] op 26 september 2022 verklaard dat het daar nu nog incidenteel wordt gebruikt. Bij een paar tafels is het gaas eraf gehaald, de zieke planten eruit gehaald en is er gelijk nog even overheen gestrooid. Hij voegde daaraan toe “Ik denk dat je dat gezien hebt van wat je zegt van dat ding ziet er best wel vies uit”. Vermoedelijk bedoelde [medeverdachte 2] hiermee de aangetroffen mixer. Bij de doorzoeking op 16 september 2022 werd bij [bedrijf 2] een Hikoki mixer aangetrof Hij heeft op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gebruik in strijd was met de voorschriften. 6 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat: [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk meermalen hebben gehandeld in strijd met artikel 55 van de verordening (EG) 1107/2009, immers hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] Vydate 10G niet op juiste wijze gebruikt door Vydate 10G te mengen met bulgur en dat na het oppotten van de orchideeën over de planten(potten) te verstrooien, zulks terwijl hij, (verdachte) toen en daar (telkens) aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 7 De strafbaarheid van het feit 7.1. Het standpunt de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 55 van de Verordening. De tenlastelegging is niet ingericht naar de inhoud van voornoemd artikel. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van het feit. Verdachte dient eveneens te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. De belangen die artikel 55 van de Verordening beoogt te beschermen, werden door de werkwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in alles beter gediend dan de werkwijze volgens het gebruiksvoorschrift. Het handelen van verdachte is hierdoor te rechtvaardigen door het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. 7.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden het niet noodzakelijk is dat een of meer bestanddelen uit artikel 55 van de Verordening daarin moeten worden opgenomen. Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdediging niet nader heeft onderbouwd dat de risico’s door de gehanteerde toepassingswijze minder zijn dan bij de toepassingswijze volgens de gebruiksvoorschriften en dat de verdediging zijn standpunt baseert op ongefundeerde aannames en niet op grond van wetenschappelijk onderzoek. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het feit is bewezen en een kwalificatie oplevert van schending van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven). Daarin is bepaald dat het verboden is in strijd te handelen met artikel 55 van de Verordening. Dat is ook ten laste gelegd. In artikel 55 van de Verordening wordt verwezen naar voorschriften in artikel 31 van de Verordening; die moeten worden nageleefd en bewezen is dat dat niet is gebeurd. Het verweer dat het feit niet kan worden gekwalificeerd wordt daarmee verworpen. Over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. Van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid kan sprake zijn als door de handelwijze van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] het met de overtreden strafbepaling nagestreefde doel wordt bereikt of daardoor een hoger belang wordt gediend, of wanneer bepaald gedrag naar algemeen aanvaarde professionele of maatschappelijke normen toelaatbaar is. Dat hiervan sprake zou zijn is door verdachte onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de toepassingswijze naar de huidige stand van de wetenschap tot hetzelfde of een hoger niveau van bescherming van de gezondheid van de mens zou leiden. Het had op de weg van verdachte gelegen het standpunt nader te onderbouwen. De rechtbank verwerpt het verweer. Het bewezen geachte