Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-11-21
ECLI:NL:RBAMS:2025:10910
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,642 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:10910 text/xml public 2026-05-01T11:24:17 2026-01-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-11-21 C/13/778893 / FA RK 25-8870 (beroep), C/13/778895/ KG ZA 25-943 (voorlopige voorziening) Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proceskostenveroordeling Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10910 text/html public 2026-04-30T16:27:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10910 Rechtbank Amsterdam , 21-11-2025 / C/13/778893 / FA RK 25-8870 (beroep), C/13/778895/ KG ZA 25-943 (voorlopige voorziening) WTH. Beroep wordt gegrond verklaard. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was om een huisverbod op te leggen, omdat er gelet de feiten en omstandigheden ten tijde van het opleggen van dat verbod geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster en hun dochter. Bovendien is het huisverbod in het onderhavige geval disproportioneel. Proces-verbaal van uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie en Jeugd Voorzieningenrechter Zaaknummers: C/13/778893 / FA RK 25-8870 beroep 778895 KG ZA 25-943 voorlopige voorziening Proces-verbaal mondelinge uitspraak van 21 november 2025 naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld is artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, Awb in het geding tussen [verzoeker] , wonende te [woonplaats 1] , verzoeker, tevens eiser, gemachtigde mr N.S. van Es te Amsterdam, en de burgemeester van Amsterdam , verweerder. gemachtigde mr. B. Beg, als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] , wonende te [woonplaats 2] , hierna de achterblijfster. 1 De procedure Bij besluit van 11 november 2025 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd van 11 november 2025 21.39 uur voor een periode van 10 dagen, derhalve tot 21 november 2025 21.39 uur, met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] , tevens inhoudend een contactverbod met de daar woonachtige achterblijfster e hun minderjarige kind. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 18 november 2025 beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend. De rechtbank heeft op 19 november 2025 stukken van verweerder ontvangen, waaronder een risicotaxatie-instrument huiselijk geweld, opgemaakt op 11 november 2025, een proces-verbaal van bevindingen van 11 augustus 2025, een formulier verloop incident, opgemaakt op 11 november 2025 en een Informatierapport van 19 november 2025. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Hierbij waren aanwezig: - verzoeker en zijn gemachtigde; - mr. Beg namens verweerder. - achterblijfster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Door de gemachtigde van verzoeker zijn het beroep en het verzoek nader mondeling toegelicht. Door verweerder is op de zitting mondeling verweer gevoerd. Tevens heeft verweerder een rapport van Zorg & Veiligheid getoond dat op 20 november 2025 door de gemeente is ontvangen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt. 2 De beoordeling De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat er ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Wettelijk kader Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet. Ingevolge artikel 6, tweede lid, Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod. Standpunt verzoeker Verzoeker heeft, kort en zakelijk weergegeven, gesteld dat er op 7 november 2025 melding van is gemaakt bij de politie dat een incident heeft plaatsgevonden tussen verzoeker en achterblijfster. De politie heeft ter plaatse geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding bestond voor aanhouding of voor het opleggen van een huisverbod en de melding alleen geregistreerd en doorverwezen naar Zorg & Veiligheid. De politie had voorgesteld dat verzoeker die nacht elders zou slapen. Verzoeker heeft dat gedaan. Hij is op 8 november weer thuis gekomen. Achterblijfster had het huis verlaten en was ingecheckt in een hotel. Verzoeker heeft op maandag 10 november 2025 de minderjarige opgehaald en gebracht bij de kinderopvang en weer terug bij achterblijfster gebracht. Verzoeker is ’s avonds 11 november 2025 gebeld door Veilig Thuis om langs te komen voor een gesprek. Daar is aan hem meegedeeld dat hij een huisverbod zou krijgen. Verzoeker heeft daar een toelichting gegeven en onder meer meegedeeld dat hij graag wil dat hulpverlening wordt ingezet in de thuissituatie vanwege de spanningen in de relatie. Verzoeker heeft daar ook meegedeeld tijdelijk elders te kunnen verblijven teneinde de rust te kunnen bewaren totdat hulpverlening is opgestart en partijen afspraken kunnen maken over de zorgverdeling. Op het moment van het besluit was géén sprake meer van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van 1 of meer betrokkenen. Het incident had zich ruim vier dagen daarvoor voorgedaan, de politie had geen aanleiding gezien voor aanhouding of een huisverbod én hij stond vrijwillig open voor een time-out. Niet is duidelijk waarom de burgemeester een aantal dagen later tot het oordeel is gekomen dat sprake was van een onmiddellijk en ernstig gevaar. Er is niet gemotiveerd waarom de situatie op 11 november acuut gevaarlijk zou zijn. In het risico-taxatieinstrument wordt uitgegaan van aannames zonder dat duidelijk is waarop deze zijn gebaseerd. Ook wordt een onjuist beeld van verzoeker geschetst. De beschikking lijkt volledig te zijn gebaseerd op de gesprekken die op 11 november bij Veilig Thuis hebben plaatsgevonden. Ook blijkt niet van een belangenafweging. Het belang van verzoeker om voor de dochter te zorgen is nergens meegewogen. Ook is het huisverbod disproportioneel omdat niet is onderzocht of minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren. Verzoeker kon bij een vriend verblijven en stond open voor hulpverlening. De hulpverlening is inmiddels opgestart. Er is geen sprake van veel alcoholgebruik. Op de avond van 11 november had hij een paar biertjes gedronken voordat hij wist dat hij een afspraak had bij Veilig Thuis. Hij heeft geen alcoholprobleem, aldus verzoeker. Standpunt verweerder Verweerder heeft, kort weergegeven, tijdens de zitting aangevoerd dat op 10 november ’s avonds een rapport van Zorg & Veiligheid is ontvangen. Het is juist dat er sprake is van een tijdsverloop tussen 7 en 11 november. Er zijn veel incidenten geweest gedurende een lange tijd en het gaat van kwaad tot erger. Bij het incident op 7 november had achterblijfster zichtbaar letsel. Op enig moment moet er iets gebeuren. Er is gekozen voor een tijdelijk huisverbod en hulpverlening is in gang gezet. Dat is ook de bedoeling geweest van het tijdelijk huisverbod, namelijk om de situatie van ernstige en minder ernstige incidenten te stoppen. Er is ook gekeken naar de situatie van achterblijfster en het feit dat het incident heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de dochter van partijen. Door het huisverbod zijn er nu afspraken gemaakt waar zowel verzoeker als achterblijfster zich verplicht aan moeten houden.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:10910 text/xml public 2026-05-01T11:24:17 2026-01-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-11-21 C/13/778893 / FA RK 25-8870 (beroep), C/13/778895/ KG ZA 25-943 (voorlopige voorziening) Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proceskostenveroordeling Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10910 text/html public 2026-04-30T16:27:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10910 Rechtbank Amsterdam , 21-11-2025 / C/13/778893 / FA RK 25-8870 (beroep), C/13/778895/ KG ZA 25-943 (voorlopige voorziening) WTH. Beroep wordt gegrond verklaard. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was om een huisverbod op te leggen, omdat er gelet de feiten en omstandigheden ten tijde van het opleggen van dat verbod geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster en hun dochter. Bovendien is het huisverbod in het onderhavige geval disproportioneel. Proces-verbaal van uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie en Jeugd Voorzieningenrechter Zaaknummers: C/13/778893 / FA RK 25-8870 beroep 778895 KG ZA 25-943 voorlopige voorziening Proces-verbaal mondelinge uitspraak van 21 november 2025 naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld is artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, Awb in het geding tussen [verzoeker] , wonende te [woonplaats 1] , verzoeker, tevens eiser, gemachtigde mr N.S. van Es te Amsterdam, en de burgemeester van Amsterdam , verweerder. gemachtigde mr. B. Beg, als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] , wonende te [woonplaats 2] , hierna de achterblijfster. 1 De procedure Bij besluit van 11 november 2025 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd van 11 november 2025 21.39 uur voor een periode van 10 dagen, derhalve tot 21 november 2025 21.39 uur, met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] , tevens inhoudend een contactverbod met de daar woonachtige achterblijfster e hun minderjarige kind. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 18 november 2025 beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend. De rechtbank heeft op 19 november 2025 stukken van verweerder ontvangen, waaronder een risicotaxatie-instrument huiselijk geweld, opgemaakt op 11 november 2025, een proces-verbaal van bevindingen van 11 augustus 2025, een formulier verloop incident, opgemaakt op 11 november 2025 en een Informatierapport van 19 november 2025. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Hierbij waren aanwezig: - verzoeker en zijn gemachtigde; - mr. Beg namens verweerder. - achterblijfster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Door de gemachtigde van verzoeker zijn het beroep en het verzoek nader mondeling toegelicht. Door verweerder is op de zitting mondeling verweer gevoerd. Tevens heeft verweerder een rapport van Zorg & Veiligheid getoond dat op 20 november 2025 door de gemeente is ontvangen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt. 2 De beoordeling De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat er ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Wettelijk kader Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet. Ingevolge artikel 6, tweede lid, Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod. Standpunt verzoeker Verzoeker heeft, kort en zakelijk weergegeven, gesteld dat er op 7 november 2025 melding van is gemaakt bij de politie dat een incident heeft plaatsgevonden tussen verzoeker en achterblijfster. De politie heeft ter plaatse geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding bestond voor aanhouding of voor het opleggen van een huisverbod en de melding alleen geregistreerd en doorverwezen naar Zorg & Veiligheid. De politie had voorgesteld dat verzoeker die nacht elders zou slapen. Verzoeker heeft dat gedaan. Hij is op 8 november weer thuis gekomen. Achterblijfster had het huis verlaten en was ingecheckt in een hotel. Verzoeker heeft op maandag 10 november 2025 de minderjarige opgehaald en gebracht bij de kinderopvang en weer terug bij achterblijfster gebracht. Verzoeker is ’s avonds 11 november 2025 gebeld door Veilig Thuis om langs te komen voor een gesprek. Daar is aan hem meegedeeld dat hij een huisverbod zou krijgen. Verzoeker heeft daar een toelichting gegeven en onder meer meegedeeld dat hij graag wil dat hulpverlening wordt ingezet in de thuissituatie vanwege de spanningen in de relatie. Verzoeker heeft daar ook meegedeeld tijdelijk elders te kunnen verblijven teneinde de rust te kunnen bewaren totdat hulpverlening is opgestart en partijen afspraken kunnen maken over de zorgverdeling. Op het moment van het besluit was géén sprake meer van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van 1 of meer betrokkenen. Het incident had zich ruim vier dagen daarvoor voorgedaan, de politie had geen aanleiding gezien voor aanhouding of een huisverbod én hij stond vrijwillig open voor een time-out. Niet is duidelijk waarom de burgemeester een aantal dagen later tot het oordeel is gekomen dat sprake was van een onmiddellijk en ernstig gevaar. Er is niet gemotiveerd waarom de situatie op 11 november acuut gevaarlijk zou zijn. In het risico-taxatieinstrument wordt uitgegaan van aannames zonder dat duidelijk is waarop deze zijn gebaseerd. Ook wordt een onjuist beeld van verzoeker geschetst. De beschikking lijkt volledig te zijn gebaseerd op de gesprekken die op 11 november bij Veilig Thuis hebben plaatsgevonden. Ook blijkt niet van een belangenafweging. Het belang van verzoeker om voor de dochter te zorgen is nergens meegewogen. Ook is het huisverbod disproportioneel omdat niet is onderzocht of minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren. Verzoeker kon bij een vriend verblijven en stond open voor hulpverlening. De hulpverlening is inmiddels opgestart. Er is geen sprake van veel alcoholgebruik. Op de avond van 11 november had hij een paar biertjes gedronken voordat hij wist dat hij een afspraak had bij Veilig Thuis. Hij heeft geen alcoholprobleem, aldus verzoeker. Standpunt verweerder Verweerder heeft, kort weergegeven, tijdens de zitting aangevoerd dat op 10 november ’s avonds een rapport van Zorg & Veiligheid is ontvangen. Het is juist dat er sprake is van een tijdsverloop tussen 7 en 11 november. Er zijn veel incidenten geweest gedurende een lange tijd en het gaat van kwaad tot erger. Bij het incident op 7 november had achterblijfster zichtbaar letsel. Op enig moment moet er iets gebeuren. Er is gekozen voor een tijdelijk huisverbod en hulpverlening is in gang gezet. Dat is ook de bedoeling geweest van het tijdelijk huisverbod, namelijk om de situatie van ernstige en minder ernstige incidenten te stoppen. Er is ook gekeken naar de situatie van achterblijfster en het feit dat het incident heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de dochter van partijen. Door het huisverbod zijn er nu afspraken gemaakt waar zowel verzoeker als achterblijfster zich verplicht aan moeten houden.
Volledig
Achterblijfster heeft ook strikte handvatten gekregen om het niet te laten escaleren. Daarnaast speelde het alcoholgebruik van verzoeker een rol omdat dit wordt gezien als een risicofactor. Door achterblijfster was hierover iets gezegd en bij Veilig Thuis werd ook geconstateerd dat verzoeker had gedronken omdat hij naar alcohol rook. Toetsing oplegging van het huisverbod op 11 november 2025 Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat er op 7 november 2025 een incident heeft plaatsgevonden in de woning waarna achterblijfster de politie heeft ingeschakeld. Verzoeker heeft achterblijfster geduwd waarna zij is gevallen. Er is op dat moment niet besloten dat een huisverbod nodig was. Afgesproken is dat verzoeker elders zou verblijven die nacht en dat achterblijfster en de minderjarige vanaf de volgende dag in het hotel zouden verblijven waar achterblijfster werkt. De voorzieningenrechter stelt vast dat op die manier een soort natuurlijke time-out is gecreëerd. Pas op 11 november 2025, dat wil zeggen vier dagen later, is de burgemeester na een gesprek van verzoeker met medewerkers van Veilig Thuis is overgegaan tot het opleggen van het huisverbod. Op de zitting is door de gemachtigde uitgelegd dat de doelstelling, om de situatie van ernstige en minder ernstige incidenten te stoppen, door het huisverbod is gehaald. Hulpverlening is nu betrokken, er zijn afspraken gemaakt waar zowel verzoeker als achterblijfster zich verplicht aan moeten houden en achterblijfster heeft strikte handvatten gekregen om het niet te laten escaleren. De voorzieningenrechter ziet dat sprake was van een ongezonde situatie voor de dochter van verzoeker en achterblijfster en is er nog niet van overtuigd dat die situatie nu is opgelost. Op het moment van het opleggen van het huisverbod was het op 7 november 2025 mogelijk aanwezige gevaar echter niet meer onmiddellijk en dreigend. Tussen het moment van het incident en het opleggen van het huisverbod zit naar het oordeel van de voorzieningenrechter te veel tijd. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was om een huisverbod op te leggen, omdat er gelet de feiten en omstandigheden ten tijde van het opleggen van dat verbod op 11 november 2025 geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster en hun dochter. Bovendien is het huisverbod in het onderhavige geval disproportioneel. Verzoeker heeft direct na het incident op 7 november al meegedeeld uit huis weg te gaan en langer weg te kunnen blijven. Daarnaast hebben achterblijfster en verzoeker allebei aangegeven overal aan mee te willen werken. Gebleken is dat zij dit inderdaad hebben gedaan. De hulpverlening is vanaf 7 november al op gang gekomen, er zijn meerdere instanties betrokken en er zijn afspraken tot stand gekomen. Anders dan de gemachtigde heeft aangevoerd was het huisverbod niet nodig om dit te bewerkstelligen, zodat de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid een huisverbod op te leggen. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat het beroep tegen het huisverbod gegrond is. Het besluit tot oplegging daarvan wordt vernietigd. Gelet hierop is er geen belang meer bij het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dit deel van het verzoek dan ook afwijzen. Het voorgaande betekent dat verzoeker naar huis zou kunnen gaan, maar de voorzieningenrechter wijst er op dat de gemaakte afspraken zoals deze zijn opgenomen in het rapport van de zorgcoördinator van de Blijfgroep wel dienen te worden nagekomen. Omdat het beroep gegrond is, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814,- voor de bijstand door een gemachtigde (1 punt voor het indienen van het gecombineerde verzoekschrift en beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1). Voor huisverboden hoeft geen griffierecht te worden betaald, dit hoeft de burgemeester dus niet te vergoeden. 3 De beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 11 november 2025; wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Devis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier, op 21 november 2025. De griffier: De rechter: Afschrift verzonden op.: Een belanghebbende – onder wie in elk geval de verzoekende partij wordt begrepen – en de verwerende partij kunnen tegen deze uitspraak – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak – hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
Volledig
Achterblijfster heeft ook strikte handvatten gekregen om het niet te laten escaleren. Daarnaast speelde het alcoholgebruik van verzoeker een rol omdat dit wordt gezien als een risicofactor. Door achterblijfster was hierover iets gezegd en bij Veilig Thuis werd ook geconstateerd dat verzoeker had gedronken omdat hij naar alcohol rook. Toetsing oplegging van het huisverbod op 11 november 2025 Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat er op 7 november 2025 een incident heeft plaatsgevonden in de woning waarna achterblijfster de politie heeft ingeschakeld. Verzoeker heeft achterblijfster geduwd waarna zij is gevallen. Er is op dat moment niet besloten dat een huisverbod nodig was. Afgesproken is dat verzoeker elders zou verblijven die nacht en dat achterblijfster en de minderjarige vanaf de volgende dag in het hotel zouden verblijven waar achterblijfster werkt. De voorzieningenrechter stelt vast dat op die manier een soort natuurlijke time-out is gecreëerd. Pas op 11 november 2025, dat wil zeggen vier dagen later, is de burgemeester na een gesprek van verzoeker met medewerkers van Veilig Thuis is overgegaan tot het opleggen van het huisverbod. Op de zitting is door de gemachtigde uitgelegd dat de doelstelling, om de situatie van ernstige en minder ernstige incidenten te stoppen, door het huisverbod is gehaald. Hulpverlening is nu betrokken, er zijn afspraken gemaakt waar zowel verzoeker als achterblijfster zich verplicht aan moeten houden en achterblijfster heeft strikte handvatten gekregen om het niet te laten escaleren. De voorzieningenrechter ziet dat sprake was van een ongezonde situatie voor de dochter van verzoeker en achterblijfster en is er nog niet van overtuigd dat die situatie nu is opgelost. Op het moment van het opleggen van het huisverbod was het op 7 november 2025 mogelijk aanwezige gevaar echter niet meer onmiddellijk en dreigend. Tussen het moment van het incident en het opleggen van het huisverbod zit naar het oordeel van de voorzieningenrechter te veel tijd. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was om een huisverbod op te leggen, omdat er gelet de feiten en omstandigheden ten tijde van het opleggen van dat verbod op 11 november 2025 geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster en hun dochter. Bovendien is het huisverbod in het onderhavige geval disproportioneel. Verzoeker heeft direct na het incident op 7 november al meegedeeld uit huis weg te gaan en langer weg te kunnen blijven. Daarnaast hebben achterblijfster en verzoeker allebei aangegeven overal aan mee te willen werken. Gebleken is dat zij dit inderdaad hebben gedaan. De hulpverlening is vanaf 7 november al op gang gekomen, er zijn meerdere instanties betrokken en er zijn afspraken tot stand gekomen. Anders dan de gemachtigde heeft aangevoerd was het huisverbod niet nodig om dit te bewerkstelligen, zodat de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid een huisverbod op te leggen. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat het beroep tegen het huisverbod gegrond is. Het besluit tot oplegging daarvan wordt vernietigd. Gelet hierop is er geen belang meer bij het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dit deel van het verzoek dan ook afwijzen. Het voorgaande betekent dat verzoeker naar huis zou kunnen gaan, maar de voorzieningenrechter wijst er op dat de gemaakte afspraken zoals deze zijn opgenomen in het rapport van de zorgcoördinator van de Blijfgroep wel dienen te worden nagekomen. Omdat het beroep gegrond is, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814,- voor de bijstand door een gemachtigde (1 punt voor het indienen van het gecombineerde verzoekschrift en beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1). Voor huisverboden hoeft geen griffierecht te worden betaald, dit hoeft de burgemeester dus niet te vergoeden. 3 De beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 11 november 2025; wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Devis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier, op 21 november 2025. De griffier: De rechter: Afschrift verzonden op.: Een belanghebbende – onder wie in elk geval de verzoekende partij wordt begrepen – en de verwerende partij kunnen tegen deze uitspraak – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak – hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.