Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-02-24
ECLI:NL:RBAMS:2025:1085
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,922 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1936
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] (Bonaire ), eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een WW-uitkering.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit van
7 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 met behulp van een beeld- en een telefoonverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is per 10 november 2023 geëmigreerd naar Bonaire om daar als [functie] aan het werk te gaan. Eiseres heeft per 10 november 2023 een WW-uitkering aangevraagd bij verweerder.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres komt volgens verweerder niet in aanmerking voor een WW-uitkering, omdat zij per 10 november 2023 buiten Nederland verblijft, anders dan vakantie.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder blijft bij het standpunt dat eiseres buiten Nederland verblijft en daarom geen recht heeft op een WW-uitkering. Verblijf in het buitenland anders dan vakantie is ingevolge de WW een uitsluitingsgrond voor het verkrijgen van een WW-uitkering. Weliswaar behoort Bonaire tot het Koninkrijk der Nederlanden, maar deze uitsluitingsgrond is ook voor Bonaire van toepassing, aldus verweerder.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om een WW-uitkering terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Op grond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.
Verblijf buiten Nederland
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW niet op haar van toepassing is. Zij verblijft immers niet ‘buiten Nederland’, omdat Bonaire onderdeel van Nederland is. Het toepassen van artikel 19 van de WW tezamen met artikel 4 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Invoeringswet BES) leidt tot een schending van de rechten van eiseres. Volgens eiseres moet in plaats van de territoriale, de staatkundige uitleg van ‘Nederland’ worden aangehouden, die ook Bonaire omvat.
9. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Artikel 4 van de Invoeringswet BES luidt: "Indien in een wettelijk voorschrift dat niet ingevolge artikel 2, eerste of tweede lid, van toepassing is in de openbare lichamen, onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, onder ‘Nederland’ verstaan het Europese deel van Nederland en worden de openbare lichamen gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk."
10. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Invoeringswet BES staat het volgende. In regelgeving die na de transitie niet op de BES zal gaan gelden, zal veelal onder Nederland moeten worden verstaan 'het Europese deel van Nederland'. Verder staat daarin dat in artikel 4 een algemene regel is vervat, die inhoudt dat in gewone Nederlandse wetgeving die niet in de openbare lichamen van toepassing wordt, onder Nederland uitsluitend wordt verstaan het Europese deel van Nederland.
11. De rechtbank overweegt dat artikel 4 van de Invoeringswet BES een regeling bevat over een wettelijk voorschrift, dat niet van toepassing is in de openbare lichamen, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk. Artikel 4 maakt duidelijk dat in dat geval onder Nederland het Europese deel van Nederland moet worden verstaan en onder de andere landen van het Koninkrijk de openbare lichamen. Anders dan eiseres heeft betoogd, dwingt de tekst van artikel 4 van de Invoeringswet BES niet tot een tegenovergestelde uitleg voor een voorschrift waarin dit onderscheid niet wordt gemaakt, in die zin dat aan Nederland een staatkundige uitleg zou moeten worden gegeven. Bovendien verdraagt deze uitleg zich niet met de algemene regel in de wetsgeschiedenis dat in gewone Nederlandse wetgeving onder Nederland het Europese deel van Nederland wordt verstaan. Artikel 19, eerste lid, onder e van de WW dient dan ook zo te worden uitgelegd dat met ‘Nederland’ slechts het Europese deel van Nederland wordt bedoeld.
12. Hoewel de rechtbank inziet dat deze situatie wrang aanvoelt voor eiseres, kan zij, nu de staatkundige wijzigingen van 10 oktober 2010, zoals neergelegd in de Invoeringswet BES, er niet toe hebben geleid dat Bonaire tot Nederland moet worden gerekend in het kader van de WW, niet worden gevolgd in haar beroepsgrond.
Discriminatie op grond van woonplaats en maatschappelijke afkomst
13. Volgens eiseres is het bestreden besluit in strijd met internationale verdragen en het gelijkheidsbeginsel. Artikel 1 van het twaalfde Protocol van het EVRM, artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van de Grondwet beschermen tegen discriminatie op grond van woonplaats en op grond van maatschappelijke afkomst.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is in de situatie van eiseres geen sprake van discriminatie op grond van woonplaats en/of maatschappelijke afkomst. Niet is gebleken dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid onder e, van de WW vooral werklozen afkomstig uit Caribisch Nederland zou treffen. Deze uitsluitingsgrond is in het leven geroepen in het kader van beschikbaarheid voor de Nederlandse arbeidsmarkt en deze wordt ten aanzien van alle werklozen die buiten Europees Nederland verblijven gelijk toegepast. Werklozen die verblijven in of afkomstig zijn uit Caribisch Nederland worden dus gelijk behandeld met alle andere Nederlanders die buiten Europees Nederland verblijven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schending van het eigendomsrecht
15. Eiseres is verder van mening dat haar eigendomsrecht wordt geschonden door de afwijzing van haar aanvraag om een WW-uitkering. De weigering haar een WW-uitkering toe te kennen is daarom in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol.
16. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Onder de term eigendom in artikel 1 van het Eerste Protocol wordt verstaan vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres op het moment dat zij naar Bonaire vertrok niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen hebben dat aan haar een WW-uitkering toegekend zou worden. Eiseres heeft op de zitting namelijk aangevoerd dat zij al maanden voor haar vertrek telefonisch van het Uwv heeft vernomen dat zij bij emigratie naar Bonaire niet in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
17. Ten slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat in haar situatie sprake is van niet-verdisconteerde omstandigheden waardoor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel mogelijk is. Volgens eiseres is sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel.
18. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW is een dwingendrechtelijke bepaling en biedt geen ruimte rekening te houden met de redenen waarom de werknemer buiten Nederland verblijft. Slechts als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever kan dit aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Naast het feit dat eiseres in haar beroepschrift heeft aangegeven dat in haar geval geen sprake is van een schrijnende situatie, is de rechtbank ook niet gebleken van dergelijke bijzondere niet-verdisconteerde omstandigheden.Slotsom
19. Nu de rechtbank, gelet op het bovenstaande, tot het oordeel komt dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen, heeft verweerder terecht geweigerd eiseres een WW-uitkering toe te kennen op grond van de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW.
Conclusie
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Kamerstukken 2, 31 957, nr. 3, pagina 19.
Zie de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:306, r.o. 4.2.
Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 mei 2021,
ECLI:NL:CRVB:2021:1264, r.o. 4.3.
Zie de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:440.
Zie de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:38.