Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:10837
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,082 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2025:10837 text/xml public 2026-02-13T11:45:40 2026-01-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-04-30 756450 HA ZA 24-1002 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10837 text/html public 2026-02-11T10:23:02 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:10837 Rechtbank Amsterdam , 30-04-2025 / 756450 HA ZA 24-1002 Tussenvonnis over aanneming van werk, verbouwing van woning. Postjeszaak, sprake van minderwerk, verschillende bewijsopdrachten voor zowel eiser als gedaagde, verder is de vraag wat de stand van het werk was bij beëindiging werkzaamheden. Eiser heeft verbouwing laten afmaken door andere aannemer. Is de aannemingsovereenkomst deels ontbonden? Sprake van tekortkoming? RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/756450 / HA ZA 24-1002 Vonnis van 30 april 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.O. Klaassen, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. R.R. Beuker. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 31 augustus 2024 met producties, - de conclusie van antwoord met producties, - het tussenvonnis van 20 november 2024 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 maart 2025 met de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is eigenaresse van de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] . 2.2. Op 3 april 2021 is door [gedaagde] , althans door zijn eenmanszaak “[bedrijf 1]”, aan [eiser] een offerte aangeboden voor renovatie van de woning. Na aanpassingen heeft [eiser] de offerte goedgekeurd. Het totale offertebedrag bedroeg € 424.903,70 exclusief btw, € 512,201,48 inclusief btw. De renovatie zou onder andere de volgende onderdelen behelzen: “(…) 30. Kozijnen, ramen en deuren € 54.067,00 32. Trappen en balustraden € 11.671,05 (…) 40. Stukadoorwerk € 17.976,00 41. Tegelwerk € 9.827,00 (…) 46. Schilderwerk € 16.100,00 (…) 50. Dakgoten en hemelwaterafvoeren € 1.827,23 51. Binnenriolering € 11.472,47 52. Waterinstallaties € 8.450,00 60. Verwarmingsinstallaties € 19.500,00 61. Ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties € 11.250,00 70. Elektrotechnische installaties € 33.926,97 (…)” 2.3. [gedaagde] is in mei/juni 2022 begonnen met het werk. 2.4. In januari 2023 hebben partijen contact gehad over een aantal onderdelen van de offerte. [eiser] heeft hierover het volgende per WhatsApp aan [gedaagde] laten weten: “(…) These are the things that need to be removed from the quotation and I will be delegating third parties to finish this at fixed costs. - shed ( friends will finish that for me) - plaster work must be removed - painting must be removed - all customization wood work removed - floors removed - stairs removed - Glass work removed - vide glass removed (…)” 2.5. [eiser] heeft in de loop van de renovatie diverse betalingen gedaan naar [gedaagde] : 8 september 2021 € 20.000,00 8 september 2021 € 20.000,00 9 september 2021 € 28.000,00 31 mei 2022 € 10.000,00 31 mei 2022 € 40.000,00 20 juni 2022 € 39.000,00 25 juni 2022 € 50.000,00 26 juni 2022 € 50.000,00 1 juli 2022 € 50.000,00 6 juli 2022 € 49.000,00 7 november 2022 € 33.000,00 18 november 2022 € 20.000,00 2 december 2022 € 10.000,00 2.6. In april 2023 heeft [gedaagde] de opdracht voortijdig beëindigd. In aanloop daarnaartoe heeft [eiser] op 14, 17, 26 en 28 april 2023 contact gezocht met [gedaagde] om hem te bewegen zijn werkzaamheden te hervatten nadat hij deze had neergelegd. [eiser] heeft daarna diverse partijen ingeschakeld om de renovatie af te maken, waaronder [bedrijf 2]. De offerte die [bedrijf 2] heeft opgemaakt op 1 mei 2023 voor het werk dat zij zou gaan verrichten komt neer op een totaalbedrag van € 116.827,00 exclusief btw, € 141.360,67 inclusief btw. 2.7. [bedrijf 2] heeft op 17 september 2023 het volgende verklaard over het werk dat zij heeft verricht: “(…) The project was taken over after conversations with you. The situation between at the time [bedrijf 1] was not known in detail. What we did observe is that the workmanship was questionable and the work rate was also very slow, as there were on two men doing the full renovation. (…) As requested by your lawyer I will break down the work done as follows: (…) Front door has been identified to be cracked. This will lead to leakages as there was no insulation placed Door in Kids Bedroom 1HG, was placed incorrectly. Assembly parts have been left out. The situation now is that the door does not closed. Miss [eiser] would have to have the whole window removed and remounted. ( Parts we found on the floor not mounted, have been placed in storage as proof) Roof gutters we not completed and left half done Water drainage was not connect correctly to allow the proper release of the rain water. Live electrical wires found in the garden house Electrical wiring not done to standard. Rewiring 50% of the work needed after full control. To date some Electric connects do not work as this would mean demolition work needed. Incorrect measures for customized materials. TV unit, Front windows place incorrectly Roof placement incorrect. 3. At this stage we only carried out work that had not been executed by [bedrijf 1] and corrected the issues to Allow Miss [eiser] to have functional residents. The phase 2 we would be looking at the Major works that need corrections. This however would need input from Architect and approval from Miss [eiser] on budget. (…)” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat en na vermindering van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 114.847,28 exclusief btw, de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024, de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van het vonnis. 3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ambtshalve toetsing 4.1. De overeenkomst tot aanneming van werk ten behoeve van de renovatie van de woning is gesloten tussen [eiser] als consument en [gedaagde] als handelaar. Daarom moet de rechtbank ambtshalve toetsen aan consumentenbeschermende bepalingen en in dit kader onder andere onderzoeken of in de opdrachtovereenkomst oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). De afspraken over onder andere de prijs van de werkzaamheden, zoals opgenomen in de offerte, zijn een kernbeding. Kernbedingen hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen). Dit geldt ongeacht of partijen over het beding hebben onderhandeld. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of de kernbedingen voldoende transparant zijn. 4.2. Feit is dat er ruim een jaar tussen het uitbrengen van de offerte en de start van de werkzaamheden zat. [eiser] heeft over de offerte kunnen nadenken, zij heeft deze ook nog laten wijzigen en [gedaagde] heeft per onderdeel uiteengezet wat de kosten zouden zijn. Ook heeft [gedaagde] de betaalcondities uiteengezet. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] [eiser] voldoende heeft geïnformeerd, dat de offerte voldoet aan de essentiële informatieverplichtingen en dat deze transparant en eerlijk zijn. Essentie van de zaak 4.3. [eiser] stelt dat [gedaagde] haar een bedrag van € 114.847,28 moet betalen omdat hij minder werk heeft uitgevoerd dan waar zij tot het moment dat [gedaagde] zijn werkzaamheden moest beëindigen, voor had betaald uit hoofde van de tussen hen geldende aanneemovereenkomst.
Volledig
Primair heeft zij daaraan ten grondslag gelegd dat zij de aanneemovereenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden. Subsidiair doet [eiser] een beroep op overeengekomen minderwerk en onverschuldigde betaling. Meer subsidiair stelt [eiser] dat zij de aanneemovereenkomst tussentijds heeft opgezegd. 4.4. Om te beoordelen of [gedaagde] inderdaad een bedrag moet terugbetalen moet eerst worden vastgesteld wat de omvang van het afgesproken werk was, wat daarvan is uitgevoerd en wat er niet, althans niet goed, is uitgevoerd. 4.5. Het uitgangspunt hierbij is de offerte. Over de inhoud van die offerte bestaat tussen partijen geen discussie – partijen zijn het eens over wat aanvankelijk de omvang van het werk was. Ook zijn partijen het erover eens dat zij in januari 2023 hebben afgesproken dat bij vier posten in de offerte (zie hierna onder 4.7, 4.11, 4.14 en 4.17) sprake zal zijn van minderwerk. Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk in hoeverre partijen het oneens zijn over het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald. Zij noemen verschillende bedragen, die bij [eiser] exclusief en bij [gedaagde] inclusief btw zijn. Optelling van de op zich niet betwiste betalingen in 2.5 hiervoor leidt tot een bedrag van € 419.000 inclusief btw. De rechtbank zal hiervan uitgaan. Partijen twisten over de hoeveelheid minderwerk, wat [gedaagde] wel en niet heeft uitgevoerd en de kwaliteit van dat werk. 4.6. De rechtbank zal hierna de verschillende posten, te beginnen met het minderwerk, beoordelen. Als de omvang van het minderwerk is vastgesteld is duidelijk wat het werk precies inhield. De overige posten kunnen dan worden afgezet tegen het bedrag dat [eiser] heeft betaald aan [gedaagde] . Kozijnen, ramen en deuren 4.7. Het bedrag dat voor deze post in de offerte is opgenomen betreft € 54.067,00 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het totaalbedrag worden afgetrokken omdat deze post minderwerk betreft. Zij heeft zelf een dakraam en deurkozijnen besteld en betaald en deze zijn door [bedrijf 2] geplaatst. De raam- en deurkozijnen zijn wel geplaatst door [gedaagde] maar niet goed. De binnendeuren moesten ook opnieuw geplaatst worden. Ter zitting heeft [eiser] nog gesteld dat zij ook zelf deuren, ramen en een lichtkoepel heeft besteld en betaald. 4.8. [gedaagde] heeft daar tegenover betoogd dat er wel minderwerk is afgesproken ten aanzien van deze post, maar niet voor het volledige bedrag. Het merendeel zou al zijn uitgevoerd. Alleen deurbeslag à € 385,00 exclusief btw en een deel van Skantrae kozijnen à € 2.545,00 exclusief btw zijn volgens [gedaagde] niet uitgevoerd. Het totale minderwerk betreft dus € 2.930,00 exclusief btw. Ter zitting heeft [gedaagde] nog toegelicht dat hij de kozijnen voor de binnendeuren en de kozijnen in de buitengevel heeft geplaatst. De spullen waarvan [eiser] zegt dat zij die heeft besteld (waarvan facturen bij de dagvaarding zijn overgelegd) zijn inderdaad niet door [gedaagde] besteld en betaald. De overige binnen- en buitendeuren waarvan de facturen niet bij dagvaarding zijn overgelegd, zijn wel allemaal door hem besteld en betaald. [gedaagde] heeft bovendien alles geïnstalleerd. [gedaagde] betwist tot slot dat de lichtkoepel onderdeel uitmaakte van de offerte. 4.9. De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat partijen minderwerk zijn overeengekomen. Nu [gedaagde] stelt dat een gedeelte van de minderwerkposten al waren uitgevoerd en dus buiten de afspraak vallen, ligt het op zijn weg dit te bewijzen. De rechtbank beveelt [gedaagde] daarom de facturen te overleggen van de ramen, binnen- en buitenkozijnen, en deuren die hij heeft besteld en betaald. Hij zal ook per kozijn moeten uitleggen wat hij aan werkzaamheden heeft verricht en wat voor waarde dat werk vertegenwoordigt in euro’s. Datgene dat [gedaagde] niet kan aantonen, zowel qua materiaal dat hij aangeschaft zou hebben, als uren die hij besteed zou hebben aan het werk, zal worden toegerekend aan [eiser] in de zin dat de rechtbank er vanuit zal gaan dat zij het materiaal heeft aangeschaft en het werk heeft laten uitvoeren door [bedrijf 2]. Het staat immers vast tussen partijen dát [eiser] het één en ander zelf heeft betaald c.q. heeft uitbesteed aan [bedrijf 2]. 4.10. De lichtkoepel maakt geen deel uit van het afgesproken werk omdat vast staat dat deze geen onderdeel uitmaakte van de offerte. Dit viel dus buiten de opdracht aan [gedaagde] en het bedrag voor de aanschaf van de lichtkoepel wordt dus niet van het totale offertebedrag afgetrokken. Trappen en balustrades 4.11. Het bedrag dat voor deze post in de offerte is opgenomen betreft € 11.671,00 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het totaalbedrag worden afgetrokken omdat deze post minderwerk betreft. Zij heeft de trap zelf aangeschaft en deze is door [bedrijf 2] geplaatst. 4.12. [gedaagde] heeft daar tegenover betoogd dat er inderdaad minderwerk overeengekomen is, maar niet voor het volledige offertebedrag. De trap en leuning zijn niet door [gedaagde] besteld en geleverd, maar de gehele voorbereiding is wel door hem uitgevoerd. Hij heeft gesteld dat het minderwerk € 7.500,00 exclusief btw betreft omdat hij wel de oude balklagen heeft weggehaald en een trapsparing heeft gemaakt. 4.13. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat € 7.500,00 exclusief btw van het totale offertebedrag moet worden afgetrokken. [eiser] heeft de waarde die de trap en leuning volgens [gedaagde] vertegenwoordigen niet bestreden en zij heeft ook niet gesteld dat het voorbereidende werk dat [gedaagde] gedaan heeft voor de trap niet goed zou zijn uitgevoerd. Het minderwerk voor deze post betreft daarmee € 7.500,00 exclusief btw. Stukadoorswerk 4.14. Het bedrag dat voor deze post in de offerte is opgenomen betreft € 17.976,00 exclusief btw. Volgens [eiser] moet het bedrag volledig van het totaalbedrag worden afgetrokken omdat deze post minderwerk betreft. 4.15. [gedaagde] heeft bevestigd dat deze post minderwerk betreft, maar heeft als verweer gevoerd dat het bedrag dat in mindering moet worden gebracht slechts € 16.656,00 exclusief btw is omdat hij wel was begonnen met stucwerk. [eiser] heeft ter zitting erkend dat [gedaagde] inderdaad al was begonnen met stucwerk. 4.16. De rechtbank zal € 16.656,00 exclusief btw aftrekken van het totale offertebedrag, aangezien [eiser] niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat dit bedrag niet zou kloppen en zij heeft erkend dat [gedaagde] inderdaad wel begonnen was met het stucwerk. Schilderwerk 4.17. Het bedrag dat voor deze post in de offerte is opgenomen is € 16.100,00 exclusief btw. Partijen zijn het erover eens dat deze post als minderwerk overeengekomen is en dat het gehele bedrag van het totale offertebedrag moet worden afgetrokken. De rechtbank zal dat dus ook doen bij het vaststellen van de omvang van het werk. Tussenconclusie – omvang van het werk na aftrek minderwerk 4.18. De vier bovenstaande posten betreffen minderwerk. Na bewijslevering aan de zijde van [gedaagde] kan de omvang van het werk zoals overeengekomen worden vastgesteld. Hierna zullen de overige posten worden beoordeeld waarbij uitgangspunt zal zijn dat de stand van het werk toen [gedaagde] stopte en de opdracht beëindigd werd, moet worden vastgesteld, inclusief de waarde van het werk op dat moment. Tegelwerk 4.19. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 9.827,00 exclusief btw, hetgeen volgens [eiser] volledig van het totaalbedrag moet worden afgetrokken. [bedrijf 2] zou de afbouw van de badkamer gedaan hebben en zij zou zelf tegels hebben besteld en betaald. 4.20. [gedaagde] heeft in eerste instantie betwist dat er sprake is van een tekortkoming, maar ter zitting heeft hij erkend dat hij geen tegels heeft geplaatst. 4.21. In de offerte is opgenomen dat [eiser] zelf tegels moest bestellen en betalen. Dat is dus geen onderdeel van het overeengekomen werk. [gedaagde] moest de tegels plaatsen, voegen en afkitten inclusief hoekprofielen. Het offertebedrag ziet dus op het installatie/montagewerk en materiaal zoals tegellijm, hoekprofielen en kit, en niet op de tegels zelf.
Volledig
[gedaagde] heeft erkend dat hij het werk dat was overeengekomen niet heeft gedaan waardoor dit bedrag à € 9.827,00 exclusief btw in mindering moet worden gebracht op de aanneemsom. Dakgoten en hemelwaterafvoer 4.22. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 1.827,23 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het totaalbedrag worden afgetrokken. [gedaagde] zou wel werk hebben verricht, maar dat was niet van goede kwaliteit waardoor het werk opnieuw gedaan moest worden door [bedrijf 2]. De hemelwaterafvoer zou niet correct zijn aangesloten. Als gevolg daarvan moest dit deel van de overeenkomst partieel ontbonden worden, aldus [eiser] . 4.23. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van een tekortkoming op basis waarvan [eiser] de overeenkomst deels kan ontbinden. [eiser] zou niet hebben onderbouwd wat er precies niet goed was aan het werk dat [gedaagde] heeft gedaan. 4.24. De tekortkoming zou volgens [eiser] blijken uit de verklaring die zij heeft overgelegd van haar tweede aannemer, [bedrijf 2]. De rechtbank acht die onderbouwing onvoldoende. Uit de verklaring van [bedrijf 2] blijkt niet dat het werk van [gedaagde] zodanig gebrekkig was dat zij daarvoor niet hoeft te betalen. Het is namelijk niet gebleken dat [bedrijf 2] iets voor zijn werk aan de hemelwaterafvoer of dakgoten in rekening heeft gebracht. Er staat ook geen bedrag op de factuur van [bedrijf 2] die [eiser] heeft overgelegd. Verder treedt de verklaring van [bedrijf 2] niet in detail over wat er niet goed zou zijn geweest aan de hemelwaterafvoer, [bedrijf 2] zegt slechts dat het niet goed was. Gezien het voorgaande is [eiser] het volledige bedrag verschuldigd aan [gedaagde] . Binnenriolering 4.25. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 11.472,47 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het totaalbedrag worden afgetrokken. Het werk zou door [gedaagde] niet zijn afgemaakt, dat heeft [bedrijf 2] gedaan maar er moesten toen ook aanpassingen worden doorgevoerd. Ook had [gedaagde] een loodgieter als onderaannemer ingeschakeld maar [gedaagde] heeft hem niet betaald voor zijn werk. [eiser] heeft uiteindelijk de loodgieter zelf betaald. 4.26. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van een tekortkoming en dat [eiser] dit deel van de overeenkomst dus niet kan ontbinden. [eiser] heeft niet uiteengezet wat er precies niet af was. Ook is aan de loodgieter wel degelijk een deel betaald, aldus [gedaagde] . 4.27. Het staat vast dat [eiser] de loodgieter in ieder geval voor een deel heeft betaald en dat [gedaagde] dit eigenlijk had moeten doen, dat heeft [gedaagde] namelijk niet betwist. De rechtbank kan niet vaststellen wat er aan werk is verricht door [gedaagde] . Het is aan [gedaagde] te stellen en te onderbouwen welk deel van het werk hij al wel had gedaan, uitgesplitst in arbeidsuren en materiaal inclusief de kosten daarvan, inclusief en exclusief btw. Het is in deze aan [eiser] om te bewijzen welk bedrag zij aan de loodgieter heeft betaald. Na bewijslevering door [eiser] en [gedaagde] zal de rechtbank vaststellen of en zo ja welk bedrag moet worden afgetrokken van de aanneemsom. Waterinstallaties 4.28. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 8.450,00 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het door [eiser] verschuldigde totaalbedrag worden afgetrokken – gelet op de stand van het werk. Zij verwijst naar de verklaring van [bedrijf 2] waaruit dat zou blijken. Ter zitting heeft zij nog betoogd dat de douche niet goed was. 4.29. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van een tekortkoming en dat [eiser] dit deel van de overeenkomst niet kan ontbinden. 4.30. De stellingen van [eiser] slagen niet. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een tekortkoming. In de verklaring van [bedrijf 2] staat namelijk niets over waterinstallaties. Deze post van de overeenkomst kan dus niet worden ontbonden en het bedrag zal niet van het totaal verschuldigde bedrag worden afgetrokken. Verwarmingsinstallaties 4.31. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 19.500,00 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het door [eiser] verschuldigde totaalbedrag worden afgetrokken, gelet op de stand van het werk. Zij verwijst naar facturen van Zegstroo en Santech voor leidingwerk en het installeren van een warmtepomp. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat [gedaagde] wel werk heeft gedaan, maar dat hij niet de levering en installatie van de warmtepomp heeft verzorgd. 4.32. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat er € 9.500,00 exclusief btw moet worden afgetrokken van het totaalbedrag omdat hij inderdaad de warmtepomp niet heeft geleverd en geïnstalleerd. Hij heeft wel de voorbereidingen verzorgd voor vloerverwarming en verwarmingselementen. 4.33. De rechtbank zal [gedaagde] in zijn standpunt volgen en € 9.500,00 exclusief btw aftrekken van het totaal door [eiser] verschuldigde bedrag. Voor het overige bedrag is niet duidelijk geworden in hoeverre het voorbereidingswerk van [gedaagde] al af was. Het is duidelijk dat [gedaagde] het installatiewerk niet heeft gedaan, maar het is aan hem om te stellen en te onderbouwen welk deel van het werk hij al wel had gedaan, uitgesplitst in arbeidsuren en materiaal inclusief de kosten daarvan, inclusief en exclusief btw. [gedaagde] zal het voorgaande moeten bewijzen. Ventilatie- en luchtbehandelingsinstallaties 4.34. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 11.250,00 exclusief btw. Volgens [eiser] moet dit bedrag volledig van het door [eiser] verschuldigde totaalbedrag worden afgetrokken omdat de ventilatie is verzorgd door [bedrijf 2]. Zij onderbouwt dat door het overleggen van een verklaring van [bedrijf 2]. 4.35. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat hij de ventilatieunit inderdaad niet heeft geleverd en geïnstalleerd. Die vertegenwoordigt volgens [gedaagde] een waarde van ongeveer € 1.500,00 exclusief btw en dat bedrag moet in mindering worden gebracht. Echter, de voorbereiding en het leidingwerk voor deze post is wel uitgevoerd, aldus [gedaagde] , anders kon hij de plafonds niet dichten. 4.36. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat het werk in deze post niet is gedaan door [gedaagde] . Het ligt vervolgens op de weg van [gedaagde] om gemotiveerd te onderbouwen, hoeveel uren hij heeft besteed aan deze post en welk materiaal hij hiervoor heeft aangeschaft. [gedaagde] wordt toegelaten tot bewijs daarvan. Elektrotechnische installaties 4.37. Het bedrag waarvoor [gedaagde] dit werk zou uitvoeren betreft € 33.926,00 exclusief btw, waarvan volgens [eiser] voor een bedrag van € 12.000,00 exclusief btw aan werk gereed was op het moment dat [gedaagde] het werk neerlegde. Het verschil tussen deze bedragen moet volgens [eiser] worden afgetrokken van het totaal door haar verschuldigde bedrag. 4.38. De rechtbank verwerpt de stellingen van [eiser] , aangezien zij op geen enkele manier heeft onderbouwd waarom zij het verschil niet hoeft te betalen en wat de stand van het werk was voor deze post. Conclusie 4.39. Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben bewijsopdrachten gekregen. Waar partijen in het verdere verloop van de procedure spreken van bedragen worden zij bevolen om deze bedragen zowel exclusief als inclusief btw te benoemen . Dat geldt ook voor de reeds in het tussenvonnis genoemde bedragen. In afwachting van het verdere verloop van de procedure wordt iedere verdere beslissing aangehouden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. draagt [eiser] op te bewijzen hetgeen uiteengezet in 4.27, 5.2. draagt [gedaagde] op te bewijzen hetgeen uiteengezet in 4.9, 4.27, 4.33, 4.36, 5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 mei 2025 voor uitlating door [eiser] en [gedaagde] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 5.4. bepaalt dat, als [eiser] en [gedaagde] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct bij akte met een toelichting in het geding moeten brengen, 5.5.