Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2025-12-30
ECLI:NL:RBAMS:2025:10797
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,427 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/147868-23
Datum uitspraak: 30 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 december 2017 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 december 2004 door the Regional Court in Warsaw, XVIII
Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding
en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 28 augustus 2018
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2018. De zitting heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst tot 11 september 2018. Op die datum heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum op 25 september 2018 bepaald.
Tussenuitspraak van 25 september 2018
Bij tussenuitspraak van 25 september 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor bepaalde tijd geschorst tot 4 oktober 2018, omdat zij meer tijd nodig had voor haar uitspraak.
Tussenuitspraak van 4 oktober 2018
Bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank aan de hand van het toen geldende recht geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van het feit en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Daarnaast heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen over de Poolse rechtsstaat voor te leggen.
Zitting van 17 januari 2024
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van
17 januari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.Th. Nooitgedagt. De rechtbank heeft de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om het dossier aan te vullen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
Zitting van 30 september 2025
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van
30 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.Th. Nooitgedagt.
Tussenuitspraak van 14 oktober 2025
Bij tussenuitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld over de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, de detentieomstandigheden en het vastgestelde algemene gevaar ten aanzien van de Poolse rechtsstaat. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen te stellen over de detentieomstandigheden.
Zitting van 16 december 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.Th. Nooitgedagt.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraken van 4 oktober 2018 en 14 oktober 2025
In de tussenuitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en over de toetsing aan artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) (onder 6).
In de tussenuitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld over de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 3) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 Handvest (onder 4.1) en de detentieomstandigheden in Poolse remand prisons (onder 4.2).
Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
4.1
Inleiding
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 14 oktober 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een brief verstrekt van 24 november 2025, afkomstig van de Deputy director of Warszawa-Słuzewiec Arrest Centre. Daarin staat onder meer het volgende vermeld::
"In the event that the Dutch national, [opgeëiste persoon] , is surrendered under a European Arrest Warrant, this penitentiary unit guarantees that he will spend a minimum of two hours per day outside his cell, including in situations where he expresses a desire to participate in optional activities, use the common room, or a walk."
Op 25 november 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bovendien per brief de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) the Court kindly informs you that all other information previously provided remains valid, including that relating to the floor space of a residential cell designated for one inmate.”
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de aanvullende informatie van 24 en 25 november 2025 onvoldoende antwoord geeft op de vragen die zijn opgenomen in de tussenuitspraak van 14 oktober 2025, met name ten aanzien van de geformuleerde punten op pagina 7 van de tussenuitspraak. Daarom moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB en moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. De raadsman doet subsidiair een verzoek tot aanhouding om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. De raadsman verzoekt in dat geval ook een vraag te stellen over de mogelijkheid van contact met de buitenwereld, hetgeen van cruciaal belang is voor een gedetineerde.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de aanvullende informatie van 24 en 25 november 2025 het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in het Poolse remand regime voor de opgeëiste persoon wegneemt. De Poolse autoriteiten garanderen in de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten de cel kan verblijven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 11 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Warsaw, XVIII Penal Division, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Niet gepubliceerd
ECLI:NL:RBAMS:2018:7042.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
ECLI:NL:RBAMS:2025:7796.